Skip to main content

Full text of "Elektuur 275 1986-9"

See other formats


f 6,25/Bfrs. 129 nr. 275 — september 1986 


regenmeter 


C64-interface 


doka-lichtmeter 


pomp-automaat 


maandblad voor elektronica 











selektuur "p||| 

pompautomaat 

Een kontrolerende, korrigerende en alarm- 
gevende schakeling voor het bewaken van 
vloeistofnivo's. 

doka-lichtmeter 

Een goedkope zelfbouw-lichtmeter die behalve 
de belichtingstijd ook nog de kontrastomvang 
kan meten. 

RTTY-interface 

Telex-signalen kunnen uitstekend door een com 
puter worden verwerkt. Deze interface vormt 
daarbij de schakel tussen ontvanger en compu- 
ter. 


C64/C128- 
interface 
blz. 50 


C64/C128-interface 

Een Centronics-buffer met nivo-indikatie, die 
direkt op de user-port van Commodore-com- 
puters kan worden gestoken. 

het lek van Elektuur 

print-layouts 

regenmeter 

Een schakeling die zeker in Nederland wel 
toepassing zal vinden. Op twee display's 
wordt de hoeveelheid neerslag tot op de 
millimeter nauwkeurig aangegeven. 



62 draagbaar mengpaneel — deel 1 

Een semiprofessioneel ontwerp, modulair 
opgebouwd, uitbreidbaar, draagbaar, kom- 
pleet en betaalbaar. In dit eerste deel: de 
ingangsmodules en de voeding. 

70 satelliet-TV-ontvangst 

De individuelle ontvangst van TV-satellie- 
ten wordt steeds interessanter. Dit artikel 
vertelt wat er zoal komt kijken voordat we 
ook werkelijk iets kunnen zien op het 
scherm. 

80 markt 

108 adverteerdersindex 


pompautomaat 
blz. 36 


OpP en 


Yoriop™ 

&&3§&Êèt 


SÓKX'O"' 

« ao foe^ e ee ,"l*ee 

! 0 ' e r«?SpP°' aa i' es "fopwe'P 









elektuur 
september 1986 


6 




Elektuurprinten, frontplaten, -soft- 
ware en -paperware kunnen worden 
besteld via de handel, via de bestel- 
kaart achterin dit blad of via de 
Etektuur-databank (zie kolofon). U 
kunt ze ook rechtstreeks en tegen 
vooruitbetaling bestellen bij Elektuur 
B.V.. Beek (L) met duidelijke vermel- 
ding van het (de) bestelnummer(s) 
op uw overschrijvingsformulier. Per 
(gekombineerde) bestelling dient 
f 3,50 (Bfrs. 691 extra voor verzend- 
en administratiekosten te worden 
overgemaakt. 

Postgiro 124.11.00 of bank-nr. 

57 83 41 883 (voor België 
PCR 000 017-70.26 01). 

(E)PROM's kunt u door Elektuur 
B.V. laten programmeren. Stuur de 
(E)PROM('s) in een deugdelijke ver- 
pakking naar Elektuur B.V.. Postbus 
75, 6190 AB Beek (L) met duidelijke 
vermelding van het gewenste 
Elektuur-programma + bestelnum- 
mer en maak gelijktijdig het ver- 
schuldigde bedrag 
( + f 3,50/ Bfrs. 69 voor verzend- en 
administratiekosten) over op bo- 
venstaand post- of bankrek. nr. met 
vermelding van het bestelnummer. 
(Elektuur B.V. kan niet aansprakelijk 
worden gesteld voor verlies of be- 
schadiging, in welke vorm dan ook. 
van toegezonden IC's.) 


TECHNISCHE VRAGEN SERVICE 


Deze service is bedoeld om lezers die 
moeilijkheden ondervinden bij het opbou- 
wen van Elektuur-schakelingen behulp- 
zaam te zijn. Om een snelle beantwoor- 
ding van uw vragen te bewerkstelligen, 
verzoeken wij u bij het stellen van uw 
vraag aan de volgende punten te denken: 

■ De vragen dienen vergezeld te gaan 
van een geadresseerde en gefrankeer- 
de antwoordenveloppe. Alleen Neder- 
landse postzegels kunnen worden 
gebruikt. 

Vanuit het buitenland dient men ge- 
bruik te maken van een internationale 
antwoord-coupon. 

■ Vermeld in de linker bovenhoek van de 
enveloppe de kode "TV” + het on- 
derwerp waarover u vragen stelt. 

■ Alleen vragen die betrekking hebben 
op in de laatste drie jaar gepubliceerde 
Elektuur-schakelingen komen voor 
beantwoording in aanmerking. Dit 
geldt trouwens ook voor telefonische 
vragen op maandagmiddag tussen 
12.30 en 16.00 uur, tel. 04402-71850. 

■ Stel uw vraag op een zakelijke manier, 
vermeld eventueel gemeten spannin- 
gen, stromen, gebruikte onderdelen 
etc. en schrijf vooral leesbaar. 

■ Wanneer bepaalde onderdelen bij u in 
de buurt niet verkrijgbaar zijn, kijk dan 
alvorens in de pen te klimmen de ad- 
vertenties in Elektuur na. Meestal vindt 
u daarin wat u zoekt. 

■ Vragen die niet te maken hebben met 
de gepubliceerde schakeling zelf. maar 
met speciale individuele wensen (zoals 
bijv. aanpassing van onze ontwerpen 


op fabrieksapparatuur of een bepaalde, 
door ons nooit beproefde samenvoe- 
ging van deelschakelingen) komen niet 
voor beantwoording in aanmerking. 
Ook aanvullende technische gegevens 
van komponenten en theoretische in- 
formatie over Elektuur-schakelingen 
kunnen niet verstrekt worden. Zulks 
om te voorkomen dat de lezerspost 
onnodig veel beslag gaat leggen op de 
tijd van de redaktie. 

Zie ook Elektuur-databank (kolofon. 


pag. 

3). 




SOFTWARE SERVICE 

bestel- 

nr. 

gul- 

dens 

Bfrs. 

cassette 

009 

27,30 

538 

cassette met 15 pro- 
gramma’s voor 
de speelcomputer 

011 

27,30 

538 

cassette met 15 pro- 
gramma’s voor 
de speelcomputer 

| PROGRAMMEER SERVICE 

bestel- 

nr. 

gul 

dens 

Bfrs. 

programma 

502 

16.- 

315 

cassette-routine voor 
NlBLcomputer 
in 1 x MM 5204Q of 
1 x 2716 EPROM 

503 

20.- 

394 

junior computer 

in 1 x 2708 EPROM 

504 

20.- 

394 

lichtende disko-vloer 
in 1 x 2708 EPROM 

505 

44.- 

867 

schaakprogramma 
voor Intelekt in 

2 x 2716 EPROM 

506 

21.- 

414 

junior tape 
monitor (TM) 
in 1 x 2716 EPROM 

507-N 

28.- 

552 

junior printer- 
monitor en PME in 

1 x 2716 EPROM 

Herprogrammeren van 507 naar 507-N 

(zie Junior boek 4) kost t 12, - (Bfrs 236). 

508 

13.- 

256 

junior daiabussturing 
in 1 x 82S23PROM 

509 

28.- 

562 

tijdsein processor 
in 1 x 2716 EPROM 

510 

14. 

276 

150 MHz- frekwentie 
meter 

in 2 x 82S23PROM 

511 

28.- 

562 

junior - disassembler . 
-EPROM- program- 
meer-software en 
-systeemvektoren 
( 4 hex dump) in 

1 x 2716 EPROM 

512 

28. - 

562 

autonome schakel- 
klok 

in 1 x 2716 EPROM 

513 

28.- 

562 

keysoft polyfoon 
keyboard 

in 1 x 2716 EPROM 

514 

28.- 

562 

doka-computer 
in 1 x 2716 EPROM 

514-N 

28.- 

562 

doka-computer 
(vlg. jan. '83) 
in 1 x 2716 EPROM 

515 

20.- 

394 

DOS-software 
in 1 x 2708 

516 

21.- 

414 

sprekende dobbel- 
steen 

in 1 x 2716 EPROM 

517 

28.- 

552 

ELEKTERMINAL ♦ 
elekterminal 
in 1 x 2716 EPROM 

518 

20,- 

394 

morse-programma 
voor de Junior 
Computer 
in 1 x 2716 EPROM 

519 

28.- 

562 

telex -programma 
voor de Junior 
Computer 
in 1 x 2716 EPROM 

521 

55.- 

1084 

karaktergenerator en 
video routines voor 
DOS-Junior 
in 1 x 2732 4 

1 x 2716 EPROM 

522 

75.- 

1478 

karaktergenerator 
en video routines 
voor uitgebreide 
Junior in 1 x 2732 
♦ 2 x 2716 EPROM 

523 

44.- 

867 

karaktergenerator 
in 1 x 2732 EPROM 

524 

28. - 

552 

quantisizer 
in 1 x 2716 EPROM 

525 

44.- 

867 

universele terminal 
in 1 x 2732 EPROM 

526 

28.- 

552 

windrichtingsmeter 


527 

28.- 

552 

Elabyrint in 

1 x 2716 EPROM 

528 

28- 

562 

EPROM duplikator 
in 1 x 2716 EPROM 

529 

13.- 

256 

multimeetmonitor 
in 1 x 82S23PROM 

530 

44.- 

867 

typemachine- 

interface 

in 2 x 2716 EPROM 

531 

44.- 

867 

pP gestuurde 
frekwentiemeter in 

1 x 2732 EPROM 

532 

44.- 

867 

X-Y-plotter in 

1 a 2732 EPROM 

533-NL 

44, - 

867 

Octopus 65 
monitorprogramma 
in 1 x 2732 EPROM 

535 

44,- 

867 

ónmogelijke schakel- 
klok in 

1 x 2732 EPROM 

536 

44, - 

867 

pP gestuurde fre- 
kwentiemeter met 
U665B prescaler in 

1 a 2732 

537 

28.- 

552 

modelbaanbesturing 
in 1 x 2716 

539 

49.- 

788 

jumboklok in 

2 * 2716 EPROM 

543 

14.- 

276 

grafische kleuren- 
kaart in 

2 x 82S123 PROM 

544 

20.- 

394 

veelzijdige printer 
buffer in 


PAPERWARE SERVICE 1 

bestel 

gul- 

Bfrs 

omschrijving 

nr. 

dens 



PWS-1 

10.- 

197 

ESS-511 software 




dokumentatie: 




wijzigingen/ 

aanvullingen 

ESS 507 N 

PWS-2 

10. 

197 

DOS 

bootstrap oader 




listing ESS 515 

PWS 3 

10,30 

203 

aanvullende 




formatie uiversele 
terminal 

PWS 4 

11.05 

218 

aanvullende 




informatie 

VDU kaan + 
source listmgs 

FRONTPLATEN 

bestel- 

gul 

Bfrs 

frontplaten 

nr. 

dens 



82178 F 

9.90 

195 

labvoeding 

83022 F 

17,65 

348 

Prelude XL 

83051 -F 

19,45 

383 

Maestro 

84012 F 

20.50 

404 

kapaciteitsmeter 

84037-F 

18.40 

362 

pulsgenerator 

84024 F 

29.50 

581 

terts analyzer 

84111 F 

19.90 

392 

funktiegencrator 

84097-F 

42.- 

827 

pP gestuurde fre- 




kwentiemeter 

85047- F 

59.50 

1172 

onmogelijke schakel 


85103 F 20.50 404 

86018 F 18,50 364 
86041-F 14,10 278 


86012-1F 11.30 223 

86012 2F 12,65 249 

86012-4F 20,45 403 


klok 

sweepgenerator 
dubbele voeding 
LS-impedantiemeter 
draagbaar meng- 
paneel. 

MIC module 
MD STEREO 
module 

voedingsmodule 



PRINT SERVICE 


Wanneer u een print(en) bestelt, kunt 
u desgewenst het (de) bijbehorende 
nummer(s) van Elektuur meegeleverd 
krijgen door bij uw bestelling per 
nummer f 6,25 (Bfrs. 129) extra over 
te maken (voor Halfgeleidergidsen: 
f 12,50. Bfrs. 258) Vermeldt u dan bij 
uw bestelling "plus tijdschrift 
maand/jaar" (voor maand/jaar zie 
onderstaande lijst). De meeste — ech- 
ter niet alle — reeds verschenen num- 
mers zijn nog beschikbaar. Indien het 
(de) door u bestelde tijdschrift(en) 
niet meer leverbaar is (zijn), ontvangt 
u kopieën van het (de) desbetreffende 
artikel(en). 

Deze pagina geeft een overzicht van 
de meest courante Elektuur printen. 
Regelmatig wordt een uitgebreide 
lijst van het komplete aanbod gepu- 
bliceerd. 


bestel- gul Bfrs. omschrijving 
nr. dens 


DECEMBER 1985 

85067 33,60 662 

85080 1 61,- 1202 

85100 47. 926 


JANUARI 1986 

85079 16,55 326 

85110 68,25 1345 

86004 13.25 261 

86006 13.85 273 


FEBRUARI 1986 


85099 

85120 

86002 

86007 

86026 


22.75 
40,50 
23.15 

19,30 

8.75 


448 

798 

456 

380 

173 


MAART 1986 

85080 2 47,35 

85114 1 47.- 
85114 2 20,15 
86001 48,25 

8G016 12,55 


86018 1 
860182 


28.75 

16,25 


APRIL 1986 


85052 

85128 

85130 


15,95 

15.20 

19,30 


86005 1 18,55 
860052 10,65 
86017 15.40 


MEI 1986 

86003 72,60 

86031 72.05 

86041 27. 


JUNI 1986 

86042 14,70 


933 

926 

397 

951 

247 

566 

320 


314 

300 

380 

365 

210 

303 


aktieve subwoofer 
grafische kleuren- 
kaart — basispunt 
jumboklok 


8 kanaals l/O-bus 
telefooncentrale 
mobiele versterker 
IR lampschakelaar 


lesley 
protektor 
akkuspannings 
opkukket 
telefoon oppas 
Electron speed up 


grafische kaart: 
geheugenkaart 
printer-buffer: 
basisprint 
displayprint 
DX filter 

saieliet luidsprekers 
dubbele voeding: 
hoofdprint 
voorregeling 


frekwentie standaard 
transistor-ontsteking 
MSX cartridge print 
auto alarm: 
hoofdpunt 
toetsenbord punt 
bijdetijdse pP klok 


86067 

86069 


46.35 

12.10 


1430 MSX buspnnt 
1420 1 kW -versterker 

532 LS impedantiemeter 


290 low budget kapaci 
teilsmetei 

913 kilo watter periferie 
238 eenvoudige metaal 
detektor 


JULI' AUGUSTUS 1986 

86451 

86453 

86454 

86461 

86462 
86490 
86504 


10.25 

202 

slappenmotor 



besturing 

9,45 

186 

hart&lagmunitor 

7 75 

153 

SMD dobbelsteen • 



16 K sideway RAM 

19 45 

383 

high resotution 



toerentdler 

6 80 

134 

true RMS konverter 

8.05 

159 

knaagdier vei jager 

11.65 

230 

UHF antenne 


versterker 


SEPTEMBER 1986 


draagbaar meng 
paneel: 


86012 1 

21.10 

416 

MIC module 

86012 2A21.40 

422 

1 MD STEREO 

86012 2B 14.35 

283 

' module 

86012-4 

23.95 

470 

voedingsmodule 

86019 

30.30 

597 

RTTY interface 

86035 

14.10 

278 

C64 buffer 

86068 

14.35 

283 

regenmeter 

86085 

24,50 

483 

pomp automaat 


Van de met • aangeduide produkten is 
de leverbaarheid niet gegarandeerd. 







35 


elektuur 
september 1986 


Gezamenlijke 
ontwikkeling 
van GaAs-iC’s 
bij Philips, RTC 
en Cray 

Philips, het Franse La 
Radiotechnique-Com- 
pelec (RTC) en Cray 
Research in de Verenigde 
Staten hebben onlangs 
een overeenkomst onder- 
tekend waarmee deze 
drie firma's zich voorne- 
men samen te werken op 
het gebied van onderzoek 
aan geïntegreerde scha- 
kelingen van galliumarse- 
nide voor mogelijk 
gebruik in zeer snelle 
supercomputers. 

Deze overeenkomst omvat 
de ontwikkeling van zeer 
snelle digitale ICs met 
een laag stroomverbruik, 
zoals geheugens en logi- 
sche schakelingen. 

Cray Research is een 
toonaangevende produ- 
cent van zeer snelle super- 
computers. 

Philips behoort tot de tien 
grootste IC-producenten in 
de wereld. 

RTC, een dochter van 
Philips, is gespecialiseerd 
in elektronische onder- 
delen en is een van de 
belangrijkste firma’s op het 
gebied van zeer snelle 
bipolaire geïntegreerde 
schakelingen. 

Philips Persdienst, Postbus 
523, 5600 AM Eindhoven. 

(1053S) 

Het ontstaan 
van "Silicon 
compilers" 

De miniaturisering binnen 
de elektronica maakt een 
stormachtige ontwikkeling 
door. Hele elektronische 
systemen, waarvoor mo- 
menteel nog omvangrijke 
printplaten en kasten no- 
dig zijn, worden vervan- 
gen door één enkel 
"integrated circuit”. 

IC's worden ontworpen 
door gespecialiseerde 
ontwerpers. Door de toe- 
nemende miniaturisering 
en de komplexiteit van de 
schakelingen worden de 


eisen, waaraan IC-ontwer- 
pers moeten voldoen, 
steeds hoger gesteld. Bo- 
vendien stellen de ver- 
schillende IC-produktie- 
bedrijven elk hun eigen, 
verschillende eisen op 
het gebied van de z.g. 
design-kriteria, de regels 
die bepalen wat toelaat- 
baar is binnen een be- 
paalde technologie van 
het produktiebedrijf (de 
z.g. "water fab” of in geval 
van produktie in loon- 
dienst de z.g. "foundry”). 

De explosieve groei van 
het aantal voor miniaturi- 
sering in aanmerking ko- 
mende schakelingen en 
de toename van dicht- 
heid en komplexiteit van 
de moderne IC’s, zorgen 
ervoor dat er een tekort 
ontstaat aan ontwerpers; 
er moest dus gezocht wor- 
den naar gereedschap- 
pen die kunnen worden 
gebruikt door de ontwer- 
pers van het totale sys- 
teem, zonder tussenkomst 
van een IC-ontwerper. Een 
"Silicon compiler" is zo’n 
gereedschap. 

Silicon compilers zijn 
bouwdozen voor silicium- 
schakelingen, in de vorm 
van een software-pakket. 
De compiler konverseert 
met de gebruiker in een 
voor deze specifieke ge- 
bruiker begrijpelijke taal. 
De gebruiker geeft op bij 
welke foundry de chip ge- 
produceerd (gebakken) 
moet worden, welke tech- 
nologie gebruikt moet 
gaan worden, in welke 
omhulling de chip later 
verpakt moet worden, etc. 
Verder konverseert de ge- 
bruiker met de software al- 
leen op het nivo van 
systeemfunkties. De soft- 
ware maakt de inge- 
brachte schakelingen op 
een beeldscherm zicht- 
baar in de vorm van voor 
de gebruiker begrijpelijke 
principeschema’s. Alle in- 
gebrachte informatie 
wordt bewaard in een 
database. 

Niet alleen kan de sys- 
teemontwerper de funktio- 
nele informatie in de 
database eenvoudig wijzi- 
gen, ook de algemene in- 
formatie zoals de gekozen 
foundry en het produktie- 
proces kunnen even een- 
voudig worden gewijzigd, 



waardoor een reeds ge- 
bouwde chip dus snel op 
een ander produktiepro- 
ces of bijv. een andere 
omhulling kan worden 
overgezet. 

De resulterende chip is 
gegarandeerd in over- 
eenstemming met de in- 
gebrachte funktionele 
specifikaties en met alle 
design-kriteria van het ge- 
kozen produktieproces in 
de gekozen foundry. Het 
resultaat van de compiler 
is evenwel niet de fysieke 
chip, doch een magneet- 
band die zonder meer 
kan worden afgegeven bij 
de door de klant gekozen 
foundry. De foundry kan 
met deze informatie de 
chip zonder verdere tus- 
senkomst "bakken”. 

In dit proces wordt er van- 
uit gegaan dat de rol van 
de specifieke IC-ontwerper 
niet of nauwelijks meer no- 
dig zal zijn. Een Silicon 
compiler slaat dus een di- 
rekte brug tussen de ont- 
werper van een integraal 
elektronisch systeem en 
de foundry van diens 
keuze. 

Daar waar specifieke IC- 
kennis toch nodig is, 
neemt de leverancier van 
de software deze rol over, 
bijv. Silicon Compilers Ine. 
(SCI) of Silicon Compilers 
B.V. 

Maatschappij voor 
Industriële Projecten NV. , 
Postbus 11592, 2502 AN 
Den Haag, tei. 070-814891 
(1104-S) 

Te/eac-kursus 
personai 
computer l 

Op donderdag 11 septem- 
ber aanstaande begint 
de Teleac-kursus Personai 
Computer I. Een kursus 
over aanschaf en gebruik 
van een personai 
computer. 

Kursussen over hoe perso- 
nal computers zijn opge- 
bouwd en hoe ze tech- 


nisch in elkaar zitten , zijn 
er al voldoende. Maar 
over de situaties waarin 
een PC een zinvol hulp- 
middel kan zijn, bestond 
nog geen kursus. In het 
voorjaar van 1986 begon 
Teleac met de eerste kur- 
sus Personai Computer I, 
waarvan ruim 36.000 men- 
sen het kursuspakket 
bestelden. 

In de praktijk blijkt maar 
al te vaak dat een PC he- 
lemaal niet doet wat de 
gebruiker ermee had wil- 
len doen. Dit komt vaak 
voort uit het feit dat dege- 
ne die tot automatisering 
besluit, in dat stadium niet 
voldoende weet van de 
mogelijkheden van een 
PC en daardoor zijn wen- 
sen met betrekking tot het 
apparaat niet goed heeft 
geformuleerd. Teleac leert 
de automatiseringslustige 
ondernemer eerst zijn 
wensen te formuleren. Als 
alle eisen bekend zijn, kan 
de speurtocht naar het 
juiste systeem beginnen. 
Dan blijkt ook vaak dat 
niet het kastje, de compu- 
ter, het belangrijkste is, 
maar juist de programma- 
tuur. In de Teleac-kursus 
wordt uitgegaan van kom- 
plete PC-systemen (appa- 
ratuur en programmatuur) 
van tien- tot vijfentwintig- 
duizend gulden. Deze prijs 
geeft aan dat de kursus is 
gericht op kleinschalige 
toepassingen, waarbij de 
PC als zelfstandige een- 
heid wordt gebruikt. 
Computer-voorkennis is 
voor het volgen van deze 
kursus handig, maar zeker 
niet noodzakelijk. 

Stichting Te/eac, Postbus 
2414, 3500 GK Utrecht, 
tei. 030-95 69 11 (1105-S 


elektuur 
september 1986 


36 


vloeistofnivo’s elektronisch bewaakt 

POMPAUTOMAAT 


kontroleert, korrigeert en alarmeert 



Water is voor alle levende schepsels van levensbelang. 
Een teveel maar ook een tekort aan water kan 
vervelende gevolgen hebben. In die gevallen waarbij we 
de hoeveelheid kunstmatig in de hand kunnen houden, 
kan een elektronische pompautomaat uitstekend van pas 
komen. Door middel van sensors wordt het waterpeil 
gekontro/eerd en met behulp van een pomp tussen twee 
grenzen gehouden. 


Er zijn natuurlijk legio situaties 
te bedenken waarin deze 
pompautomaat zijn diensten 
kan bewijzen. We noemen hier 
een toepassing die ook aan het 
ontwerp van deze schakeling 
ten grondslag heeft gelegen. 
Stel dat u een hoogrendement- 


CV-ketel in de kelder wilt 
plaatsen, maar daarbij proble- 
men ondervindt met de afvoer 
van het kondenswater dat dit 
type ketel als bijprodukt levert. 
In een onder de grond gele- 
gen kelder bevindt zich de 
aanwezige afvoer vaak op een 


te hoog nivo ten opzichte van 
de op de vloer staande CV- 
ketel. In deze situatie biedt de 
pompautomaat een prima op- 
lossing. Het door de ketel 
geproduceerde kondenswater 
belandt in een reservoir. Een 
krachtige pomp brengt het 









37 


elektuur 
september 1986 


water op voldoende hoogte, 
zodat het rechtstreeks in de 
aanwezige afvoerbuis gepompt 
kan worden. Een elektronische 
schakeling zorgt er voor dat op 
tijd gepompt wordt en dat de 
pomp niet droog komt te staan. 
Mocht door welke oorzaak dan 
ook de vloer blank komen te 
staan of het peil in het reser- 
voir maar niet willen zakken, 
dan zal een akoestisch alarm 
de hulp van de huisbewoners 
inroepen. 

In figuur 1 is de installatie in 
tekening gebracht. Een schei- 
dingstrafo zorgt er voor dat er 
geen onveilige toestanden door 
de kombinatie water en net- 
spanning kunnen ontstaan. De 
voedingstrafo voor de elektro- 
nische pompautomaat is (ook 
weer om veiligheidsredenen) 
samen met de stabilisatiescha- 
keling en het relais dat de 
pomp schakelt in een aparte 
behuizing geplaatst. In de 
buurt van het reservoir bevindt 
zich de elektronica die door 
middel van twee sensors (S2 en 
S3) het minimale en het maxi- 
male watemivo detekteert. 
Wordt het maximumnivo in het 
reservoir bereikt, dan zal de 
elektronica er voor zorgen dat 
de reservoir-pomp via het 
relais ingeschakeld wordt. Om 
te voorkomen dat de pomp 
droog loopt (wat voor de 
meeste niet-zelfaanzuigende 
pompen op de lange duur 
funest is), zal met pompen 
gestopt worden zodra sensor 
S2 het minimumnivo detekteert. 
Een derde sensor (SI) kontro- 
leert de keldervloer op voch- 
tigheid. Voelt deze sensor 
nattigheid, dan klinkt er een 
waarschuwende zoemer. Het 
akoestische alarm treedt even- 
eens in werking indien de 
waterspiegel niet onder het 
maximumnivo staat, terwijl er al 
een bepaalde tijd gepompt is. 


De elektronica 
in detail 

Over de in figuur 2 afgebeelde 
voeding kunnen we kort zijn. 
Het gebruik van de in voor- 
gaande tekst al aangehaalde 
veiligheidstrafo (Tri) is zeker 
aan te bevelen. Zoals gezegd 


1 



A= scheidingstrafo 

B= voedingstrafo + relais + voeding 

C= reservoir 

D= pomp 

E= elektronica 

F= pompvoedingskabel 

G= elektronica-verbindingskabel 


Figuur 1. De 
pompautomaat 
kan uitstekend 
van pas komen 
om het kon- 
dens water van 
een hoogren- 
dement-CV- 
ketel naar 
hogere regio- 
nen te ver- 
plaatsen. Door 
middel van 
twee sensors 
kontroleert de 
schakeling het 
waterpeil in het 
reservoir en 
onderneemt 
aan de hand 
daarvan de 
nodige akties. 
Een vloersen- 
sor kontroleert 
de zaak op lek- 
kage of over- 
lopen. 


huist deze samen met de voe- 
dingstrafo (Tr2) en het relais 
(Re) in een apart, kunststof 
kastje. De voeding voor de 
elektronica is vrij eenvoudig 
van opzet. Een gelijkrichter (BI) 
en bijbehorende afvlakking en 
ontkoppeling (Cl resp. C2) vor- 
men de ingrediënten. Over de 
dioden van de gelijkrichter zijn 
zogenaamde ratelkondensato- 
ren geplaatst. Deze ontstoor- 
kondensatoren beperken de 
door de pulserende gelijkrich- 
terstromen ontstane lichtnetver- 
vuiling tot een minimum. 

Figuur 3 geeft in schematische 
vorm de eigenlijke pompauto- 
maat weer. Van hier uit worden 
de akties ondernomen. De 
informatie is afkomstig van de 
sensors SI t/m S3. Deze sen- 


sors leveren een elektrisch 
geleidende verbinding op wan- 
neer ze met water in aanraking 
komen. De sensors maken deel 
uit van een wisselstroomcircuit. 
Gelijkstroom zou de sensors 
namelijk na verloop van tijd 
door elektrolyseverschijnselen 
buiten werking stellen. Door 
de rond inverter N6 opgebouw- 
de oscillator wordt een blok- 
spanning opgewekt. De kon- 
densatoren C3 t/m C6 blokke- 
ren het gelijkspanningsaandeel 
van deze blokspanning en zor- 
gen er zodoende voor dat de 
sensors enkel met wisselstroom 
te maken krijgen. 

Achter iedere sensor is een 
transistortrap geplaatst. Met 
potmeter PI kan de gevoelig- 
heid van de sensorschakeling 



elektuur 
september 1986 


38 



©~4i h 



* zie tekst 


HhrlH 

22n 22n 



22 n 22n 


I 


pomp 



220V 

max. 100W 


Cl 



I 


2200p 

100 n 



25V 

O- 

— 


elektronica 


86085-2 



Figuur 2. In 
verband met 
de veiligheid 
wordt de 
pompautomaat 
via een schei- 
dingstrafo uit 
het lichtnet 
gevoed. In een 
aparte behui- 
zing wordt de 
voedingstrafo 
en het relais 
ondergebracht. 
Monteer de bij- 
behorende 
komponenten 
op een stukje 
gaatjesprint. 


ingesteld worden. Kondensator 
C3 zorgt voor afvlakking van 
de door transistor T3 gelijkge- 
richte wisselspanning en voor- 
komt tevens dat er op kortston- 
dige stoorpulsen gereageerd 
wordt. In rusttoestand zal de 
transistortrap door de wissel- 
spanning pulserend in gelei- 
ding gestuurd worden. Over 
kondensator C3 staat dan een 
laag spanningsnivo (via R5 
wordt namelijk sneller ontladen 


dan via R6 geladen wordt). 
Komt een sensor in aanraking 
met water (of een anderde 
geleidende vloeistof), dan 
treedt er een kortsluiting van 
de wisselspanning op en zal de 
desbetreffende transistortrap er 
voor zorgen dat de uitgang van 
de ermee gekoppelde Schmitt- 
trigger (NI, N2 of N3) logisch 0 
wordt. 

In het schema staan op diverse 
plaatsen logische nivo’s aange- 


Tabel 1. 


SI: vloersensor 

S2: minimumnivo-sensor 

S3: maximumnivo-sensor 

LED D5: knippert wanneer de vloersensor nat is of wanneer ondanks 
pompen het nivo niet wil dalen (alarm) 

LED D6: geeft aan dat de vloer blank staat 

LED D7: licht op ten teken dat het peil hoger dan het minimumnivo staat 
LED D8: licht op bij het bereiken van het maximumnivo 
LED D9: geeft aan dat de pomp aktief dient te zijn 


geven. Deze nivo’s hebben be- 
trekking op de rusttoestand 
waarbij het waterpeil zich tus- 
sen minimum en maximum be- 
vindt en de vloersensor droog 
is. Dat is gemakkelijk bij het 
opsporen van eventuele storin- 
gen en ook bij het doorgron- 
den van de werking. Gaan we 
er even van uit dat de vloersen- 
sor SI nattigheid voelt. De uit- 
gang van NI is dan laag. Ten 
gevolge daarvan gebeuren er 
twee dingen: LED D6 licht op 
en verraadt op die manier dat 
de vloer blank staat (mocht u 
dat nog niet aan uw voeten 
gevoeld hebben). Tevens wordt 
via N13 de rond N14 en N17 
opgebouwde resp. laag- en 
hoogfrekwente blokgolfgenera- 
tors gestart, waardoor de buz- 
zer (Bz) een intermitterende 
alarmtoon ten gehore zal bren- 
gen. LED D5 knippert daarbij. 
Wat er zich afspeelt wanneer 
de minimum- of de maximum- 
nivo-sensor aktief wordt, is iets 
gekompliceerder. Door middel 
van de achter N2 en N3 ge- 
plaatste konfiguratie van poor- 
ten, wordt uitgezocht wat er 
dient te gebeuren: pompen of 
stoppen met pompen. De aktie 
wordt bepaalt door de stand 
van flipflop N8/N10. In rust- 
toestand is de uitgang van N10 
logisch 0; de pomp is dan niet 
aktief. Stel dat sensor S3 een te 
hoog nivo detekteert. De uit- 
gang van N10 zal dan na korte 
tijd hoog worden en de pomp 
zal haar werk doen. De stand 
van de flipflop zal behouden 
blijven tot dat het minimumnivo 
bereikt wordt. Op dat moment 
zal de flipflop omklappen, 
waardoor de pomp stopt. Er 
wordt weer gewacht op het 
bereiken van het maximumnivo. 
Wanneer het te lang duurt 
voordat het maximumnivo ver- 
laten wordt (er is dan natuurlijk 
iets mis), dan zal het netwerk 
R7/C4 er voor zorgen dat het 
akoestisch alarm via poort N12 
aktief wordt (uitgang N5 en N10 
zijn dan logisch 1). 

De schakeling is voorzien van 
een extra alarm-uitgang (Al, 
aktief laag), waarop naar wens 
andere alarmgevers aangeslo- 
ten kunnen worden. 

Tabel 1 geeft aan welke toe- 
standen de diverse LED’s indi- 
ceren. 









39 


elektuur 
september 1986 



ici 

T 


dr"] dT"] J 

V “' / CIO W C11 ^ C'2| 

IC2 “ IC3 ™ IC4 


lOOn 


(T)J' 0 °" (■) Z 


seoas 3 


praktische 

kanten 

In figuur 5 staat de print afge- 
beeld waarop de hele elektro- 
nica uit figuur 3 gemonteerd 
kan worden. De print wordt in 
een kunstof kastje tegen de zij- 
kant van het reservoir geplaatst 
(zie ook figuur 1). De voe- 
dingstrafo met de op een stuk- 
je gaatjesprint ondergebrachte 
bijbehorende zaken en het re- 
lais worden in een apart kastje 
gemonteerd. Gebruik een re- 
lais met een bekrachti- 
gingsstroom van maximaal 
250 mA en een werkspanning 
van maximaal 20 volt. Weer- 
stand R1 is alleen nodig bij 
gebruik van een relais met een 
lagere werkspanning. Pas de 
waarde van R1 zodanig aan dat 


over het relais de juiste span- 
ning valt. 

Door het gebruik van een 
scheidingstrafo hoeft er van de 
pompinstallatie niets geaard te 
worden, sterker nog: er mag 
dan zelfs niets geaard worden. 
Gebruik voor de scheidingstra- 
fo, het voedingsgedeelte en het 
elektronisch gedeelte kunststof 
kastjes (i.v.m. de veiligheid). 
Plaats de detektie- en bestu- 
ringselektronica zo dicht moge- 
lijk in de buurt van het reser- 
voir, opdat lange, storingveroor- 
zakende verbindingen met de 
sensors vermeden worden. De 
nivosensors S2 en S3 kunnen 
gemaakt worden van jack- 
plugs. Zorg er voor dat ze goed 
waterdicht in de wand van het 
reservoir komen te zitten. Ook 
wil de isolatie tussen de beide 
delen van de plug nog wel 


eens lekken. Met twee-kompo- 
nentenlijm is dat te verhelpen. 
Plaats de sensors zo dat er bij 
een dalend nivo geen druppel 
water over de isolatie blijft han- 
gen. Natuurlijk zijn ook andere 
konstrukties van sensors te 
bedenken. Om geen proble- 
men te krijgen met de isolatie 
tussen de sensors en het reser- 
voir, verdient het gebruik van 
een kunststof reservoir de voor- 
keur. Dat is tevens ook besten- 
dig tegen de agressieve be- 
standdelen die zich in het 
kondenswater van de CV-ketel 
bevinden. De vloersensor 
maken we van een stukje print- 
materiaal. Figuur 4 geeft een 
geschikt en beproefd patroon 
voor de kopervlakken van de 
vloersensor. 

Om overstroming van het reser- 
voir te voorkomen, dient de 


Figuur 3. Met 
uitzondering 
van de voeding 
en het relais is 
dit het komple- 
te schema van 
de pomp auto- 
maat. De op 
diverse punten 
in het schema 
vermelde logi- 
sche nivo’s 
hebben betrek- 
king op de 
rusttoestand 
van de installa- 
tie waarbij het 
waterpeil zich 
tussen mini- 
mum en maxi- 
mum bevindt. 



Figuur 4. Een 
geschikt koper- 
patroon voor 
de vloersensor. 
Vertin de 
kopersporen, 
opdat de 
sensor niet 
door oxydatie 
van het koper 
buiten werking 
valt. 



















eieKiuur K[| 
september 1986 ■■ 

Onderdelenlijst 

(schema figuur 3) 

Weerstanden: 

R1,R6a,b,c = 100 k 
R2 = 10 Q 

R3a,b,c,R4a,b,c = 10 k 
R5a,b,c = 100 Q 
R7,R10 = 1 M 
R8 = 1 k 
R9 = 470 k 
R11...R15 = 820 Q 

Kondensatoren: 

Cl = 2n2 
C2a,b,c = 47 n 
C3a,b,c,C4,C8 = 10 p/ 
16 V 

C5 = 1 ^/16 V 
C6 = 680 p 
C7 = 100 p/25 V 
C9...C12 = 100 n 

Halfgeleiders: 

T1,T3a,b,c = BC547B 
T2 = BC557B 
IC1 ,IC4 = 40106 
(74C14) 

IC2 = 4011 
IC3 = 4093 
IC5 = ULN2004 
IC6 = 7812 
D1a,b,c,D2,D3, 

D4 = 1N4148 
D5...D9 = LED 

Diversen: 

Bz = piëzo-buzzer 
Re (figuur 2) = relais 
met 2 maakkontakten, 
max. spoelstroom 
250 mA (zie tekst), 
bijv. Siemens 
V23100- V7212-F104 
Elektuur-print EPS-86085 
(zie pag. 6) 

Geschatte bouwkosten: 
circa f 115,- 
(exkl. trafo) 



Figuur 5. reservoir-pomp uiteraard een ter (zwanehals). kort. De pomp zal nu in wer- 

Koper-layout en toereikende kapaciteit te bezit- Het afregelen van de pomp- king treden, maar door de kort- 

komponenten- ten. Bij het proefmodel is ge- automaat gebeurt als volgt. gesloten sensor S3 denkt de 

opstelling van bruik gemaakt van een pompje Draai de lopers van de potme- schakeling dat de waterstand 

de print voor uit een wasmachine. Dergelijke ters Pla, b en c naar massa. Vul maar niet wil zakken. Na een 

de pompauto- pompen zijn voor dit doel het reservoir zover dat de maxi- bepaalde tijd zal het alarm klin- 

maat. uitermate geschikt, aangezien mumsensor S3 onder water ken. Deze tijd kan door wijzi- 

ze bestand zijn tegen tamelijk staat. Verdraai potmeter Plc gen van de kapaciteit van C4 

agressieve vloeistoffen. langzaam tot de pomp begint aangepast worden. Verwijder 

Hoe de zaak konstruktief in te lopen. Mocht na een bepaal- nu de kortsluiting van S3 en de 

elkaar gezet dient de worden, de tijd het akoestisch alarm in pompautomaat is klaar voor 

is in figuur 1 te zien. Zorg er aktie komen, dan dient u kon- gebruik. 

voor dat de pomp zich op het densator C4 aan te passen 

laagste punt bevindt (een (waarover zo meteen meer). 

wasmachinepomp is namelijk Wacht tot het minimumnivo 

niet zelfaanzuigend). Voorkom bereikt is en verdraai potmeter 

dat er water vanuit de afvoer Plb zover dat het pompen 

c.q. riolering in het reservoir gestaakt wordt. Dompel nu de 

terecht kan komen en hang de vloersensor (SI) in het water en 

op de pomp aangesloten kunst- verdraai potmeter Pla tot het 

stof afvoerslang in een op de alarm klinkt. 

afvoer aangesloten stankafslui- Sluit de maximumsensor (S3) 













41 


elektuur 
september 1986 


Er zijn nogal wat fotografen die van tijd tot tijd ook graag 
de soldeerbout hanteren. Die kategorie zai zich best 
aangesproken voeten door dit ontwerp Het gaat hier 
namelijk om een zeifbouw-iichtmeter voor de doka, met 
een paar interessante karaktertrekken: hij is goedkoop is 
tamelijk eenvoudig te bouwen en geeft behalve de 
belichtingstijd tevens de kontrastomvang aan. 

Kortom, een aardige aanwinst voor e/ke doka. 



DOKA- 

LICHTMETER 


Geen revolutionair ontwerp, 
maar toch een bijzonder leuke 
en vooral praktische schake- 
ling. Dat is eigenlijk de beste 
omschrijving die we van deze 
lichtmeter kunnen geven. 
Ondanks de betrekkelijk sim- 
pele opzet, is de nauwkeurig- 
heid van dit doka-instrument 
heel behoorlijk, terwijl de 
mogelijkheid tot kontrastmeting 
een handig extraatje vormt. 

Een voordeel van het ontwerp 


is voorts dat er vrijwel uitslui- 
tend normale standaard-onder- 
delen in zijn gebruikt, met als 
enige uitzondering misschien 
de lichtgevoelige cel, waarvoor 
een fotodiode van het type 
BPW21 is toegepast. De bedie- 
ning is supereenvoudig: een 
drukknop voor normale licht- 
meting, een drukknop voor 
kontrastmeting en een draai- 
spoelinstrumentje voor de uitle- 
zing — dat is alles. 


De schakeling 

Het eerste dat wellicht opvalt 
aan het schema van figuur 1, is 
dat er drie voedingsspannin- 
gen nodig zijn, te weten + 9 V, 

+ 5 V en + 2 V. Dat doet voor 
zo’n simpele schakeling ietwat 
overdadig aan, maar dat heeft 
te maken met de vereiste batte- 
rijspanningsonafhankelijkheid, 
zoals we zodadelijk zullen zien. 
Bovendien worden die drie 


meet 
belich- 
tingstijd èn 
kontrast 






elektuur 
september 1986 


42 


1 




L 




R2 



i 

-IjÖoT}, 

2 

01 

_ 02W 



BPW21 

(BPW20) 



02... 05 = 1N4148 
ES1...ES3 = \ IC1 = 4066 


kontrast 


Figuur 1. De 
lichtmeter be- 
staat in feite 
slechts uit een 
fotodiode (Dl), 
drie opamps 
(IC 2, IC3, IC4) 
en een draai- 
spoehnstru- 
ment. PI dient 
voor het instel- 
len van de 
pa pier ge voelig- 
heid, P2 en P3 
voor de afrege- 
ling. Het ge- 
deelte rond 
ESI, ES2 en 
ES3 is verant- 
woordelijk voor 
de kontrast- 
meting. 


Figuur 2. Zo 
zou de schaal 
van het draai- 
spoelmstrument 
er ongeveer uit 
moeten zien. 
Een logaritmi- 
sche verdeling 
voor de tijd en 
een lineaire 
schaal voor het 
kontrast. 



86079- 


1 



voedingsspanningen tamelijk 
eenvoudig verkregen, dus zo’n 
ramp is het nu ook weer niet. 
De + 9 V wordt rechtstreeks 
geleverd door de batterij; aan- 
gezien de totale stroomopname 
niet meer bedraagt dan zo’n 
15 mA, is een gewoon 9-V- 
batterijtje ruimschoots tegen 


deze taak opgewassen. Voor de 
+ 5 V zorgt een 7805 (IC6); en 
voor de +2 V volstaan een 
spanningsdeler (R19/R20) en 
een opamp (IC5). 

Het principe van de lichtmeter 
is eigenlijk heel rechttoe-recht- 
aan. Er wordt namelijk gebruik 
gemaakt van de spanning die 


in een fotodiode (Dl) wordt 
opgewekt als er licht op valt. 
Die spanning neemt lineair toe, 
als de hoeveelheid licht logarit- 
misch stijgt. De enige voor- 
waarde daarvoor is dat de foto- 
diode hoogohmig wordt afge- 
sloten, hetgeen hier gebeurt 
door opamp IC2. 

De in de diode opgewekte 
spanning wordt vervolgens ver- 
sterkt en geïnverteerd door de 
opamps IC2, IC3 en IC4 en 
belandt tenslotte bij het draai- 
spoelinstrument M, dat voor 
onze toepassing een logaritmi- 
sche schaal dient te hebben 
(zie figuur 2). Ten opzichte van 
een lichtmeter in een kamera, 
reageert het draaispoelinstru- 
ment precies andersom; het 
geeft namelijk niet de hoeveel- 
heid licht aan, maar de vereiste 
belichtingstijd. Dus bij veel 
licht (hoge spanning over Dl) is 
de spanning over de meter 
laag, en bij weinig licht laat het 
instrument juist een grote uit- 
slag zien. 

In feite hebben we nu de hele 
lichtmeter gehad — de overige 
komponenten maken alle deel 
uit van meer of minder noodza- 
kelijke details en verfijningen. 
Laten we het rijtje maar eens af 
gaan van links naar rechts. 

De dioden D2 en D3 zijn toege- 
voegd als kompensatie voor de 
temperatuurafhankelijkheid van 
de fotodiode. Helemaal onder- 
vangen wordt hiermee het 
euvel niet, maar het tempera- 
tuurverloop blijft in de praktijk 
nu ruim binnen de marge. Bij 
het prototype bedroeg het ver- 
loop ongeveer 1/2 stop per 
7°C — een zeer akseptabele 
waarde, als men bedenkt dat 
de temperatuur in een doka 
zowiezo goed konstant gehou- 
den dient te worden. Zolang 
men bij het hanteren van de 
meter de dioden Dl, D2 en D3 
niet onnodig opwarmt, is de 
kans op fouten dus minimaal. 
Met potmeter PI is een aanpas- 
sing van de meter mogelijk aan 
verschillende papiergevoelig- 
heden. Met behulp van het net- 
werkje rond D4, D5 en PI kan 
namelijk bij de gemeten waar- 
de een gelijkspanning worden 
opgeteld (daar hebben we dus 
o.a. de stabiele 5 V en 2 V voor 
nodig). En aangezien de uitle- 




















43 


elektuur 
september 1986 


zing logaritmisch is, komt dat 
eigenlijk neer op een verme- 
nigvuldiging van de uitgelezen 
tijd — precies wat voor deze 
funktie nodig is. 

Het effekt van P2 (meerslagen- 
instelpot) is vergelijkbaar met 
dat van PI, alleen is deze pot- 
meter — evenals P3 — bedoeld 
voor de eenmalige afregeling. 
Daar komen we zo meteen nog 
op terug. 

Kontrastmeting 

Het enige stukje van het sche- 
ma dat tot dusver nog onbe- 
sproken is gebleven, is het 
gedeelte rond de elektronische 
schakelaars ESI, ES2 en ES3. 

Dit zijn de komponenten die 
de eerdergenoemde kontrast- 
meting mogelijk maken. Het 
geheel werkt als volgt: 

■ Wanneer "kontrastdrukknop” 
S2 open is, zal ESI eveneens 

open zijn en ES2 en ES3 geslo- 
ten (de in het schema geteken- 
de situatie). De schakeling 
werkt nu gewoon als lichtme- 
ter, op de manier zoals hierbo- 
ven beschreven. In deze stand 
meet men nu een lichte partij 
van het negatief. 

■ Drukt men vervolgens S2 in, 
dan worden ES2 en ES3 

geopend en zal ESI gedurende 
korte tijd sluiten. (Op het 
moment dat — na het openen 
van ES3 — C5 via R13 en R14 
wordt opgeladen, is het knoop- 
punt C5/R14 "hoog” en sluit 
ESI; is C5 eenmaal opgeladen, 
dan is het knooppunt weer 
"laag” en zal ESI opnieuw 
open gaan.) 

■ Gedurende de tijd dat ESI 
gesloten is, wordt C4 opgela- 
den tot de spanning die op dat 
moment op de uitgang van IC3 
staat. De spanning over het 
draaispoelinstrument daalt hier- 
door tot nul volt, zodat de wij- 
zer helemaal links in de hoek 
gaat staan. Ook als ESI na kor- 
te tijd weer open gaat, houdt 
C4 de opgeslagen spanning 
keurig vast. 

■ Houdt men vervolgens (met 
S2 nog steeds ingedrukt) de 

fotocel onder een donkere par- 
tij van het negatief, dan zal de 
meter opnieuw uitslaan, waarbij 
echter het in C4 opgeslagen 
resultaat van de vorige meting 


a.h.w. wordt afgetrokken van de 
gemeten spanning. De uitslag 
van de meter geeft derhalve nu 
het kontrast (in LW) aan tussen 
de eerste en de tweede me- 
ting, dus tussen de lichte en 
de donkere partij. 

Aangezien een verschil van 
één lichtwaarde (1 LW) over- 
eenkomt met een verdubbeling 
(of halvering) van de lichthoe- 
veelheid, heeft de kontrast- 
schaal op de meter — in tegen- 
stelling tot de tijdschaal — 
gewoon een lineair verloop. 
Figuur 2 illustreert dat. 


Bouw en 
afregeling 

Aangezien ons de tijd ontbrak 
om voor de schakeling een 
printontwerp te maken, hebt u 
voor wat betreft de bouw de 
keuze tussen twee mogelijkhe- 
den: ofwel een stukje gaatjes- 
bord gebruiken en de bedra- 
ding lekker ouderwets met de 
hand uitvoeren, ofwel zelf een 
print-layout ontwerpen. Gezien 
het betrekkelijk geringe aantal 
onderdelen, is de gaatjesbord- 
methode in dit geval zo gek 
nog niet; in een uurtje of twee 
zal de zaak wel gepiept zijn. 

In de keuze van de behuizing 
is men vrij. Zolang de schake- 
ling, de batterij en het draai- 
spoelinstrument er maar ruim 
in passen, is wat ons betreft elk 
kastje bruikbaar. De bedie- 
ningsorganen SI, S2 en PI die- 
nen gemakkelijk bereikbaar te 
zijn en het draaispoelinstru- 
ment moet van en duidelijk 
afleesbare schaal (figuur 2) 
worden voorzien. De fotodiode 
(Dl) dient zodanig te worden 
gemonteerd dat deze het licht 
van de vergroter ongehinderd 
kan opvangen. De dioden D2 
en D3 behoren zo dicht moge- 
lijk bij Dl te worden geplaatst, 
teneinde temperatuurverschil- 
len tussen de dioden onderling 
zo klein mogelijk te houden. 
Overigens zijn voor de foto- 
diode twee verschillende typen 
bruikbaar. De BPW21 is het 
meest ideaal, omdat de spek- 
traalgevoeligheid daarvan vrij- 
wel gelijk is aan die van het 
menselijk oog. De BPW20 zit 
daar iets naast, maar voor 


zwart/wit-vergrotingen is hij 
precies even goed bruikbaar. 
Dan de afregeling. Daarvoor 
zijn alleen wat proefstrookjes 
nodig, alsmede een portie 
geduld en nauwkeurigheid. 

Alle drie zijn dat zaken die we 
bij een rechtgeaard foto-ama- 
teur als aanwezig mogen veron- 
derstellen, dus problemen zijn 
nauwelijks te verwachten. De 
procedure is als volgt: 

■ Zet PI in de middenstand en 
neem een velletje fotopapier 

van "gemiddelde” gevoelig- 
heid. 

■ Maak een proefstrookje dat 
bij een belichtingstijd van 

2 s precies goed van dekking 
is. Zet hiervoor het diafragma 
geheel open en bepaal de 
juiste belichting door de ver- 
groter in hoogte te verstellen. 

■ Leg de lichtmeter op het 
vergrotingsbord en voer een 

integraalmeting uit, door met 
bijv. een stukje kalkpapier voor 
de lens het licht te verstrooien. 

■ Regel P2 nu zodanig af dat 
het draaispoelinstrument een 

tijd van 2 s aanwijst. 

■ Draai het diafragma vier 
stoppen dicht en regel de 

meteruitslag met P3 af op exakt 
32 s (= kontrast 4 LW). 

De afregeling is hiermee vol- 
tooid. Voor PI moet nu nog een 
schaal worden gemaakt voor 
de verschillende papiersoorten 
— een karweitje dat de nodige 
proefstrookjes vergt, maar als 
het eenmaal gebeurd is, bete- 
kent een dergelijke schaal een 
heel gemak. 

Nog een laatste opmerking. 
Voor de kontrastbepaling is de 
stand van PI in feite niet van 
belang (zolang de stand maar 
bij beide metingen hetzelfde 
is). Om echter het bereik van 
de kontrastmeting zo groot 
mogelijk te houden, is het 
gunstig om bij de eerste (lichte 
partij) meting de wijzer zover 
mogelijk richting ”0" te zetten, 
door het diafragma te verande- 
ren en/of PI te verdraaien. Tij- 
dens de tweede meting dient 
PI dan wel in deze stand te 
blijven staan! 




elektuur 
september 1986 


44 


RTTY-INTERFACE 


Van oudsher heeft er o/tijd een soort van tegenstelling 
bestaan tussen HF- en digitaai-geïnteresseerde elektronici. 
Nu zelfs veel zendamateurs een computer hebben 
aangeschaft, is de oude vete echter knapjes aan het 
verbleken. Maar goed ook, want als er iets is dat zich 
uitstekend voor "computerisering " leent, is het wei de 
— in HF-kringen zeer populaire — verwerking van teiex- 
signaien. Deze schakeling iegt de daarvoor benodigde 
iink tussen ontvanger en computer. 


schakel 

tussen 

ontvanger 

en 

computer 


Binnen het hele HF-gebeuren 
heeft het hoofdstuk RTTY 
(”radio-teletypewriter” oftewel 
telex) altijd een heel aparte 
plaats ingenomen. Telexen was 
iets voor de liefhebbers. Verge- 
leken met de rest van de zend/ 
ontvangapparatuur, was een 
telexmachine ook een beetje 
een raar geval. Zo’n luidruchti- 
ge "rammelkast” had ontegen- 
zeggelijk zijn charme, maar de 
omgang ermee lag niet ieder- 
een. Als telex-freak hoefde je 
niet zozeer een briljant elektro- 
nicus te zijn, maar had je meer 
aan een solide mechanische 


ondergrond. Het diploma auto- 
monteur, bankwerker of olie- 
en smeertechnicus strekte tot 
aanbeveling. Voor onderhoud 
en reparatie was niet een oscil- 
loskoop, maar een draaibank 
het aangewezen hulpinstru- 
ment. 

De computer heeft dit wereldje 
danig op zijn kop gezet. Het 
geratel is zo langzamerhand 
verstomd. De rammelkasten 
worden meer en meer verdron- 
gen door stille computers, die 
de telex-berichten zonder eni- 
ge hoorbare inspanning netjes 
op een beeldscherm zichtbaar 



maken. Menig telex-liefhebber 
van de oude stempel zal mis- 
schien een traantje wegpinken, 
maar de vooruitgang is nu een- 
maal niet tegen te houden. 
Waar de computer zijn intrede 
doet, gaat de romantiek er een 
beetje af — dat is waar — maar 
het valt niet te ontkennen dat 
de verwerking van telex-signa- 
len in elk geval kan worden 
gerangschikt onder de zeer 
zinvolle computer-toepassin- 
gen. En dat is een stuk meer 
dan van sommige andere toe- 
passingen kan worden gezegd! 


RTTY en FSK 

Hoewel morse en telex altijd in 
een adem worden genoemd, 
verschillen deze beide leden 
van de HF-familie hemelsbreed 
van elkaar. Bij morse varieert 
de lengte van de kode aanzien- 
lijk per karakter, terwijl die 
lengte bij telex een vast gege- 
ven is. Elk karakter is daar ver- 
taald in een 5-bits kode vol- 
gens Baudot of een afgeleide 
versie daarvan (zoals FEC of 
ARQ). Figuur 1 toont de "oer- 
versie”, de originele kode van 
mijnheer Baudot, die overigens 
nog steeds volop gehanteerd 
wordt. Zoals te zien krijgen we 
steeds eerst een startbit, dan 
volgt de eigenlijke kode, waar- 
na de zaak wordt afgesloten 
met een stopbit. 

De draadloze overdracht van 
het aldus gekodeerde pulssig- 
naal geschiedt nagenoeg altijd 
door middel van FSK-modulatie. 



45 


elektuur 
september 1986 


Dat is een aan FM verwante 
modulatiemethode, waarbij de 
draaggolf in het ritme van de 
"enen” en "nullen” wordt ver- 
schoven tussen twee frekwen- 
ties, fl en f2 — ook wel de 
mark en de space genaamd. 
Een mark komt dan overeen 
met een ”1” en een space met 
een ”0” of omgekeerd (al naar 
gelang de afspraak). 

De term "FSK” komt (hoe kan 
het anders) uit het Engels en 
staat voor "frequency shift 
keying”. Daarom wordt in vak- 
kringen het frekwentieverschil 
tussen fl en f2 altijd aangeduid 
als de "shift”. Voor die shift 
bestaat helaas niet één stan- 
daardfrekwentie. Wél is het zo 
dat de shift altijd zeer gering is 
ten opzichte van de draaggolf- 
frekwentie. De meest gehan- 
teerde waarden liggen zo tus- 
sen 85 en 700 Hz. Als maximum 
kan een waarde van 1 kHz wor- 
den aangehouden. 

In de ontvanger worden de 
mark en de space door de 
BFO omgezet in audio-toontjes, 
zodat we aan de uitgang twee 
soorten toontjes overhouden, 
met een onderling frekwentie- 
verschil ter grootte van de eer- 
dergenoemde "shift”. 

Computer- 

interface 

Nu is het dus zaak om uit die 
gedemoduleerde "audio- 
piepjes” weer de oorspronke- 
lijke informatie te voorschijn te 
halen. 

In het pre-computertijdperk 
werden de piepjes in een 
dekoder herleid tot pulsen, 
waarna een converter de 
stroomsturing voor de telexma- 
chine verzorgde. Voor het zicht- 
baar maken van de informatie 
op een computer-beeldscherm 
hebben we eveneens twee din- 
gen nodig: een interface (deko- 
der) die een foutloze omzetting 
levert van de piepjes in enen 
en nullen, en software om het 
gekodeerde digitale signaal te 
vertalen in beeldschermtekst. 
Die software is in voldoende 
mate voor de verschillende 
computers verkrijgbaar. Dat is 
dus geen probleem. Interfaces 
bestaan natuurlijk ook al gerui- 


me tijd, maar hier ligt duidelijk 
wél een probleem. 

De meeste RTTY-interfaces zijn 
namelijk nogal gebruikerson- 
vriendelijk. Zolang de gehan- 
teerde frekwentie-shift onbe- 
kend is (en daar kun je helaas 
wel van uitgaan) is het bij de 
doorsnee-interface een hele 
toer om de juiste afstemming te 
vinden en de zaak goed aan 
het draaien te krijgen. Voor 
niet-ingewijden is het haast 
ondoenlijk zelfs. 

Daar moest nodig iets aan 
gebeuren, vonden wij. Tenein- 
de liefst zoveel mogelijk com- 
puterbezitters warm te maken 
voor de fraaie hobby van telex- 
ontvangst, werd het hoog tijd 
voor een zelfbouw-interface die 
ook voor leken op HF-gebied 
goed hanteerbaar was. Dat is 
bij dit ontwerp goed gelukt. 

Het beruchte afstemprobleem 
is zo goed als uit de wereld 
geholpen door de spanning 
van een FM-diskriminator te 
digitaliseren (4 bit) en de gedi- 
gitaliseerde waarden via een 
LED-display weer te geven. De 
LED-balk heeft op deze manier 
een tweeledige funktie: men 
kan hem als afstemmeter (mid- 
denmeter) gebruiken en hij 
geeft de relatieve breedte van 
de frekwentie-shift aan. 

Ook een bekende — en ge- 
waardeerde — fabrieksdekoder 
als de "POCOMTOR” is voor- 
zien van een dergelijke afstem- 
hulp. Vergeleken met dit fa- 
brieksapparaat, bezit onze 
interface echter twee wezenlij- 
ke pluspunten: 



— Doordat hij is uitgerust met 
een bandfilter, is hij ook 

goed bruikbaar bij oudere, 
goedkopere of minde r-stabiele 
ontvangers. 

— De interface is voorzien van 
een zogeheten "automatic 

threshold correction”, waardoor 
veel minder hinder wordt 
ondervonden van selektieve 
fading. 

Opzet 

Figuur 2 toont het blokschema 
van de RTTY-interface. Zo op 
het eerste gezicht een tamelijk 
gekompliceerde aangelegen- 
heid, maar dat is maar schijn. 
Dit is namelijk een van die 
schakelingen waarbij het blok- 
schema haast nog uitgebreider 
is dan het principeschema. 
Aangezien sommige funktie- 
blokken in feite niet meer 
bevatten dan een enkel RC- 
netwerk of een enkel poortje, 
valt het in werkelijkheid alle- 
maal erg mee. Trouwens: er is 
een printontwerp gemaakt voor 
de schakeling, dus waar maken 



Figuur 1. De 
telex-kode vol- 
gens Baudot 
bestaat voor 
elk karakter uit 
een S-bits 
kode, welke 
steeds vooraf- 
gegaan wordt 
door een start- 
bit en afgeslo- 
ten met een 
(FA -bits) 
stopbit. 


Figuur 2. Het 
blokschema 
van de RTTY- 
mterface. Als 
"hart” van de 
schakeling kun- 
nen de FM- 
diskriminator 
(blokje X) en 
de automatic 
threshold cor- 
rection (blokje 
A d(XA ac) wor- 
den be- 
schouwd. 






elektuur 
september 1986 


46 


we ons eigenlijk druk over. 
Terug naar het blokschema nu. 
De van de ontvanger afkomsti- 
ge mark- en space-piepjes wor- 
den eerst versterkt en belan- 
den vervolgens bij een bandfil- 
ter, bestaande uit een hoog- en 
een laagdoorlaatsektie met kan- 
telpunten (- 6 dB) van respek- 
tievelijk 700 en 1300 Hz. Hier- 
mee is een vrij selektieve 
scheiding bewerkstelligd tus- 
sen de meest voorkomende 
telex-toontjes en andere (min- 
der gewenste) produkten; de 
maximaal hanteerbare frekwen- 
tie-shift bedraagt ca. 1000 Hz. 
Dan wordt het signaal nog- 
maals versterkt en begrensd 
(blokje LIM.), waarna het 
belandt bij het hart van de 
schakeling: de FM-diskrimina- 
tor (X). Met behulp van een 
selektief vertragingsnetwerk 
(T), wordt het signaal nu verme- 


nigvuldigd met een in fase ver- 
schoven versie van zichzelf. 

Elke frekwentieverandering van 
het ingangssignaal geeft daar- 
door een verandering van de 
duty-cycle van het pulssignaal 
aan de uitgang van de diskri- 
minator. 

Nadat het uitgangssignaal van 
de diskriminator in een laag- 
doorlaatfilter is ontdaan van de 
ongewenste vermenigvuldi- 
gingskomponent (er ontstaan er 
onvermijdelijk altijd twee, en 
we willen er maar één), wordt 
het signaal nog wat verder 
"opgepoetst” door een sample 
& hold, die de spanningsspron- 
getjes steeds even in een kon- 
densator opslaat. De uitgangs- 
spanning van de S & H komt 
dus al vrij nauwkeurig overeen 
met de door de zender uit- 
gestraalde informatie. Die span- 
ning wordt dan ook gebruikt 


om, via een A/D-omzetter, het 
uit 16 LED’s bestaande display 
te sturen. Afstemmen van de 
ontvanger kan gebeuren door 
de oplichtende LED’s op het 
display te "centreren”. De 
breedte van de oplichtende 
"balk” vormt een direkte maat 
voor de grootte van de fre- 
kwentie-shift. 

Dan hebben we nog drie blok- 
ken over in het schema van 
figuur 2, te weten een verster- 
ker, een schmitt-trigger en een 
omkeertrap. Over de laatste 
twee hoeven we het nauwelijks 
te hebben; die blokken spre- 
ken voor zich. De versterker- 
trap is echter wel degelijk 
vermeldenswaardig, want die 
vormt in zijn eentje de eerder- 
genoemde "automatic thres- 
hold correction”. Een als 
gevolg van bijv. selektieve 
fading enigszins vervlakt (in 


3a 




47 


elkaar gedrukt) pulssignaal 
wordt hier weer opnieuw 
geprofileerd, doordat in de ver- 
sterkertrap de AC-versterking 
een stuk hoger is dan de DC- 
versterking. Je zou het kunnen 
vergelijken met het opsnijden 
van een oude autoband, maar 
dan elektronisch. 

Het schema 

Het voordeel van een uitge- 
breide blokschemabeschrijving 
is dat de bespreking van het 
principeschema daarmee gere- 
duceerd is tot een eenvoudig 
routinekarweitje. Het volstaat 
eigenlijk om te kijken welke 
onderdelen bij welk blokje 
horen. 

Daar gaan we dan. Figuur 3 
toont het komplete schema van 
de RTTY-interface. Als we het 
signaal weer van in- naar uit- 
gang volgen, komen we in 
figuur 3a allereerst de ingangs- 
versterker tegen, welke is 
opgebouwd rond Tl en T2. 

Dan volgt het uit HPF en LPF 
bestaande bandfilter, hier 
gerealiseerd met behulp van 
C3. . .C 12 en LI. . ,L5. Het filter 
is specifiek afgestemd op de 
eisen die het signaal stelt en 
bezit aan beide kanten een 
steilheid van minimaal 40 dB 
per oktaaf. 

Een opamp van het type LF356 
(IC1) fungeert in kombinatie 
met NI als begrenzende ver- 
sterker. Van de onderdelen 
rondom IC1 spelen de dioden 
Dl en D2 een belangrijke rol, 
omdat zij voor een groot deel 
verantwoordelijk zijn voor de 
begrenzing van het versterkte 
signaal. 

EXOR-poort N2 doet dienst als 
FM-diskriminator; het bijbeho- 
rend tijdvertragend netwerk is 
opgebouwd met C17. . .C19/ 

R13 . . . R15. Door de frekwentie- 
afhankelijke tijdsvertraging, 
ontstaat aan de uitgang van dis- 
kriminator N2 een pulssignaal 
waarvan de duty-cycle een 
funktie is van de frekwentiever- 
anderingen van het ingangssig- 
naal. 

Via het uit R16 en C20 bestaan- 
de laagdoorlaatfïlter belanden 
deze pulsjes bij de sample & 
hold. De werking daarvan is 
even simpel als ingenieus. Via 


elektuur 
september 1986 


3b 



Display 


o 


7 61 21 3 5 4 8 9 


IC5 

bAA 170 


15 


16 


14 


R28 

18k 


R29 


10 


R31 


13 


12 


2k5 


2k5 


R30 



12V 

<5 


<£) 


86019.3b 


F1 



Figuur 3. Het 
komplete sche- 
ma valt — na 
het bezien 
van het blok- 
schema — kwa 
komplexiteit 
eigenlijk mee. 
Een opvallend 
detail is dat de 
kardinale funk- 
tie van FM- 
diskriminator 
hier wordt 
waargenomen 
door een enke- 
le EXOR-poort 
(N2). De A/D- 
omzetter IC5 
(fig. 3b) is een 
oude bekende, 
terwijl de opzet 
van de voeding 
(3c) voor de 
meesten van u 
waarschijnlijk 
nog minder 
geheimen zal 
herbergen. 


R17 wordt namelijk elke puls in 
C21 opgeslagen, om op het 
moment dat T3 gaat geleiden, 
ogenblikkelijk te worden door- 
gegeven naar C23. Aldaar blijft 
die informatie dan netjes zitten, 
aangezien C23 door de ingang 
van opamp IC2 hoegenaamd 
niet wordt belast. 

Aangezien opamps nu eenmaal 
de hebbelijkheid bezitten om 
de ” + "- en "-"ingang voortdu- 
rend aan elkaar gelijk te willen 
houden, kunnen we er gevoeg- 
lijk van uitgaan dat op beide 
ingangen van IC2 dezelfde 
informatie aanwezig is. Daarom 
hoefde de A/D-omzetter voor 
de displaysturing (IC5 — figuur 
3b) gelukkig niet rechtstreeks 
aan de uitgang van de S & H te 
worden gelegd, maar konden 
we de ” - "ingang van IC2 als 
aanknopingspunt gebruiken. 
IC2 fungeert dus onder andere 
als buffer voor de sample & 
hold. Dat is echter maar een 
nevenfunktie, want als hoofd- 


taak heeft deze opamp de 
daarstraks genoemde "auto- 
matic threshold correction”. De 
AC-versterking wordt bepaald 
door de verhouding tussen R22 
en R23 (5,6 x ) en de DC-ver- 
sterking door R22 en R20 (2 x). 
Via schmitt-trigger N3 en de 
met SI omschakelbare inverter 
N4 (sommige computers "lus- 
ten” alleen het geïnverteerde 
signaal), belandt het signaal 
tenslotte bij de uitgang die met 
de computer wordt verbonden. 
Rest alleen nog de voeding, 
maar figuur 3c maakt al snel 
duidelijk dat dat gewoon ge- 
sneden koek is: een trafo, een 
brugcel en een spanningsstabi- 
lisator — daar zullen we verder 
dus maar geen woorden over 
vuil maken! 


Bouw 

Uit ekonomische overwegingen 
èn om het u gemakkelijk te 













elektuur 
september 1986 


Figuur 4. 
Hoofdprint, 
voeding en 
display-unit zijn 
als één geheel 
uitgevoerd, 
waarvan u zelf 
de verschillen- 
de delen nog 
dient los te 
zagen. Doe dit 
liefst wel vóór 
de onderdelen- 
montage! 



Onderdelenlijst 


Weerstanden: 

R1 = 1 k 
R2 = 180 k 
R3 =390 k 
R4,R6 = 680 Q 
R5 = 68 Q 
R7,R8,R16,R19, 
R27 = 4k7 
R9,R13 = 10 M 


R10 = 100 Q 
R11.R31 = 3k3 
R12 = 22 k 
R14,R25 = 120 k 
R15 = 470 k 
R17,R20,R22, 

R28 = 18 k 


R18 

R21 

R23 

R24 

R26 

R29 


47 k 
39 k 
3k9 
2k2 
33 k 
1k5 


R30 = 1k2 
PI = 5 k instel 
P2,P3 = 2k5 instel 

Kondensatoren: 

01,028. . .031 = 47 n 
C2 = 220 p 
C3 = 180 n 
04, 05 = 270 n 
C6 = 2^2 MKT 
07,012 = 390 n 
08,011 = 560 n 
09,010,014,025 = 22 n 


013 = 100 M /10 V 

015 = 100 n 

016 = 330 n 

017 = 1n5 

018 = 2n2 

019 = 270 p 

020 = 220 n 

021 = 56 n 

022 = 100 p 

023, 024 = 10 n 

026 = 22^/10 V 

027 = 1 m /16 V 
032 = 1000 m /25 V 


033 = 10 ji/16 V 

Halfgeleiders: 

D1,D2 = 1N4148 
D3...D18 = LED rood 
(bijv. paneel-LED's 
LSB 480 H - Texim) 
D19...D2 2 = 1N4001 
Tl = BC 5500 
T2 = BC 550 B of C 
IC1 = LF 356 
IC2 = CA 3130 
IC3 = 4030 B 


IC4 = 7812 
IC5 = UAA 170 

Spoelen: 

L1...L5 = 68 mH 
(Toko smoorspoel met 
ferrietkap) 

L6.L7 = 470 

Diversen: 

Tri = trafo 15 V/ 

100 mA 

SI = enkelpolige 


schakelaar 
S2 = dubbelpolige 
schakelaar 

Z1 = zekering 50 mA 
snel 

behuizing: bijv. 

ESM EC18/07FA 
display-venster: 

22463 R -04 (Texim) 
Elektuur-print EPS 86019 
(zie blz. 6) 

Geschatte bouwkosten: 
circa f 130,— 


















49 


elektuur 
september 1986 



maken, is voor de RTTY-inter- 
face één enkele print ontwor- 
pen, waarvan de drie deelscha- 
kelingen van figuur 3 met de 
zaag gemakkelijk van elkaar 
kunnen worden gescheiden. U 
mag de printen wat ons betreft 
ook aan elkaar laten zitten, 
maar vooral voor wat betreft de 
plaatsing van het LED-display 
lijkt dit ons minder handig. 
Figuur 4 toont de layout en 
komponentenopdruk van de 
print. Tja, wat moeten we ver- 
der nog over de opbouw van 
de print vertellen? Net als met 
bijna alle andere printen, kan 
er nauwelijks iets mis, als u 
zich goed aan de opdruk 
houdt en geen onderdelen of 
draadbruggen vergeet. Wat 
extra netjes monteren en solde- 
ren kan in dit geval geen 
kwaad, omdat het tenslotte een 
”bijna-HF-schakeling” betreft, 
die altijd wat gevoeliger zijn 
voor slordigheidjes in de op- 
bouw. 

Belangrijk is voorts dat voor 
LI . . . L6 spoeltjes van goede 
kwaliteit worden gebruikt, met 
een ohmse weerstand van liefst 
niet veel meer dan zo’n 50 Q — 
neem desnoods de multimeter 
mee naar de winkel om de 
smoorspoeltjes ter plekke door 
te meten. Ohmse weerstanden 
van 300 Q of meer zijn in dit 
geval echt uit den boze! 

Vergeet verder niet om de voe- 
dingsspanningsaansluitingen 
tussen de drie printjes door te 
lussen en vergeet de verbin- 
ding tussen de hoofdprint en 
de displayprint niet. De verbin- 
dingen tussen de interface en 
de ontvanger en de computer 
dienen met afgeschermde 
audio-kabel te geschieden. 

Zoals aangegeven in figuur 3a 
moeten aan het einde van de 
computerkabel nog een paar 
smoorspoeltjes van 470 in 
serie worden opgenomen. 

Hoe de schakeling wordt inge- 
kast, mag iedereen van ons zelf 
uitmaken, zolang het maar net- 
jes gebeurt. Om storingspro- 
blemen te vermijden is het wel 
een must dat de gebruikte kast 
van metaal is. 

AfregeUng 

Het afregelen van de interface 


is — zelfs voor leken — beslist 
niet iets om buikpijn van te 
krijgen. Bezitters van een goe- 
de audio-generator en een 
oscilloskoop kunnen als volgt 
te werk gaan: 

1. Sluit de generator aan op de 
ingang en de skoop op het 

knooppunt L5/R6. 

2. Zoek de exakte 6-dB-punten 
van het bandfilter op en 

reken de centrumfrekwentie uit 

fl + f2 

2 

3. Sluit de skoop nu op de uit- 
gang aan en voer met 

behulp van de generator de 
berekende centrumfrekwentie 
aan de ingang toe. 

4. Zoek nu met PI (voorzichtig!) 
de twee punten op, waarbij 

het uitgangsnivo omslaat en zet 
de potmeter vervolgens pre- 
cies midden tussen deze beide 
standen in. Klaar! 

Zij die niet over een skoop 
beschikken, kunnen meteen bij 
punt 3 beginnen en daarbij als 
centrumfrekwentie 1000 Hz aan- 
houden. Aan de uitgang kan 
de skoop dan worden vervan- 
gen door een LED met serie- 
weerstand. 

Voor de afregeling van de 
display-unit volstaat het in feite 
om een ingangsfrekwentie van 
1 kHz toe te voeren en vervol- 
gens P2 en P3 zo in te stellen 
dat de beide middelste LED’s 
(D10 en Dll) oplichten. 

De volledige breedte van de 
LED-balk wordt benut bij een 
frekwentie-shift van 850 . . 

. . 1000 Hz, hetgeen dus over- 
eenkomt met ca. 50 Hz per 


LED. Aan de hand van de uit- 
zendingen kan eventueel wor- 
den gekontroleerd of de indi- 
katie klopt of misschien ietwat 
moet worden bijgeregeld. In 
de 20-m-amateurband zijn door- 
gaans volop telex-stations te 
vinden die een shift van 170 Hz 
hanteren; die kunnen dus o.a. 
als referentie worden gebruikt. 


Tot slot 

Waarschijnlijk zullen zowel 
leken als oude rotten gechar- 
meerd zijn van het karakter van 
onze interface, want in de prak- 
tijk laat deze zich kennen als 
een probleemloze en vriende- 
lijke schakeling. Het LED- 
display maakt dat afstemperike- 
len voorgoed tot het verleden 
behoren. 

In de tabel zijn de belangrijk- 
ste specifikaties van de schake- 
ling bijeengebracht. Hierover 
nog een opmerking: De opge- 
geven snelheid van 100 baud 
moet beschouwd worden als 
een richtwaarde, die sterk 
beïnvloed kan worden door 
atmosferische kondities. Bij 
prima kondities en mooie 
schone signalen, zal doorgaans 
200 baud haalbaar zijn. 

Nog één ding tot slot. Zij die 
problemen hebben met het 
verkrijgen van RTTY-software 
voor hun computer, doen er 
goed aan de (kleine) adverten- 
ties in Elektuur er eens goed 
op na te lezen. Daar wordt dit 
soort zaken regelmatig aange- 
boden. 


Tabel 

Specifikaties 

frekwentie-shift: 30. . . 1000 Hz 
U*,: 300 *iV. . 300 mV (eff.l 
2, n : 47 kÖ 
snelheid: 100 baud 
opgenorrten stroom: 80 mA 



elektuur 
september 1986 


50 


C64/C128- 

INTERFACE 


P.C.M. Verhoosel 


Centro- 
nics-buffer 
met nivo- 
indikatie 



De userport van de Commodore wordt gebruikt voor 
diverse toepassingen. Veelvuldige gebruikers van deze 
userport zullen de hier beschreven interface ongetwijfeld 
met vee/ vreugde begroeten: een kleine 'black box” die 
niet alleen voor vee/ gemak en overzicht zorgt, maar ook 
voor een stuk iC-protektie! 


Commodore-machines zijn 
weliswaar standaard met een 
soort parallelle uitgang uitge- 
rust, maar die is noch ge- 
normd, noch gebufferd, noch 
op de één of andere wijze 
beschermd tegen "aanvallen” 
van buitenaf. Wie al eens, bij- 
voorbeeld door een verkeerd 
aangesloten konnektor, een 
elektronische katastrofe in de 
CIA (Complex Interface Adap- 
ter) 6526 heeft veroorzaakt, mag 
dan ook blij zijn als de chip 


niet de geest heeft gegeven. In 
de regel delft dit IC namelijk 
bij de geringste (aansluit)fout 
het onderspit. Onze userport- 
interface maakt een eind aan 
dergelijke malheurs. Maar dat 
de schakeling nog veel meer 
biedt, blijkt wanneer we alle 
mogelijkheden eens op een 
rijtje zetten: 

■ Alle in- en uitgangen die 
noodzakelijk zijn voor een 
Centronics-interface zijn gebuf- 
ferd. 


■ De logische toestanden op 
de diverse Centronics-lijnen 

worden door LED’s aangege- 
ven. 

■ De oorspronkelijke aanslui- 
tingen van de userport zijn 

op het printje doorgelust, zodat 
de gehele poort (ongebufferd) 
beschikbaar blijft. 

■ Alle Centronics-lijnen kun- 
nen genegeerd worden. 

■ Ook andere apparaten (zoals 
bijvoorbeeld robotarmen) 

kunnen met deze interface aan- 



51 


elektuur 
september 1986 


gestuurd worden. 

■ En aangezien het oog ook 
wat wil: de schakeling past 
in een fraai ogend en goed 
verkrijgbaar kastje. 

De userport 

Figuur 1 laat zien welke aan- 
sluitingen we op de userport 
kunnen aantreffen. Van de in 
totaal 24 lijnen zitten er 12 op 
de bovenkant van het steek- 
printje (gekenmerkt met de 
getallen 1 t/m 12) en 12 op de 
onderkant (gekenmerkt met de 
letters A t/m N, waarbij de G 
en de I zijn weggelaten). De 
VC20 en computers uit de 
CBM-serie zijn weliswaar ook 
met een soortgelijke userport 
uitgerust, maar die zijn, zoals 
tabel 1 toont, helaas niet 
C64-kompatibel. Dat is met 
name voor CBM-gebruikers 
nadelig, omdat de userport van 
die machines niet met een 5-V- 
aansluiting is uitgerust. Bij dit 
type computers moet onze 
interface dan ook vanuit een 
andere plaats (bijvoorbeeld 
vanuit de cassette-port) gevoed 
worden. 


Doel: Centronics 

In figuur 2 zijn de aansluitgege- 
vens van een 36-polige Centro- 
nics-konnektor gegeven. 

Om een doeltreffende verbin- 
ding van de userport naar de 
Centronics-interface te maken, 
hebben we in feite maar 10 lij- 
nen nodig. Welke dat zijn, kan 
uit tabel 2 worden opgemaakt. 
Weliswaar verlangt de "offi- 
ciële” Centronics-norm dat 
elke signaallijn door een 
massa-verbinding afgeschermd 
wordt, maar in de praktijk tre- 
den er vrijwel nooit problemen 
op wanneer de verbindingska- 
bel niet langer wordt gemaakt 
dan zo’n anderhalve meter. 

Voor de aansluiting FLAG2 zijn 
(aan de Centronics-zijde) twee 
met elkaar ver gelijkbar e signa- 
len aanwezig: ACKNLG en 
BUSY. Beide zorgen er voor dat 
de Centronics-interface op het 
juiste moment een ontvangst- 
c.q. ”ik-ben-bezig” -bevestiging 
(handshake) aan de userport 
geeft. 


1 


boven 



onder 86035-1 


tabel 1 



C 64/C 128 

VC 20 

CBM-SERIE 

1 

GND 


2 

+ 5 V max 100 mA 

TV-VIDEO OUT 

3 

RESET 

IEEE-SRQ 

4 

CNT 1 

JOY 0 

IEEE-E01 

5 

SP 1 

JOY 1 

TEST 

6 

CNT 2 

JOY 2 

Cass. 1 READ 

7 

SP 2 

LIGHT PEN 

Cass. 2 READ 

8 

PC 2 

Cass. SWITCH 

Cass. 1.2 WRITE 

9 

ATN IN SERIAL 

TV - VERT 


9 V AC max. 100 mA 

TV - HOR 

11 

9 V AC max. 100 mA 

GND 


GND 



A 

GND 

B 

FLAG2 

CA 1 

C 

PB 0 

PA 0 

D 

PB 1 

PA 1 

E 

PB 2 

PA 2 

F 

PB 3 

PA 3 

H 

PB 4 

PA 4 

J 

PB 5 

PA 5 

K 

PB 6 

PA 6 

L 

PB 7 

PA 7 


PA 2 

CB 2 

N 


GND 


CIA 6526 

VIA 6522 


Basis- 

DD00 H 

9110 H 

E840 H 

adres 

56576 D 

37136 D 

59456 D 


Figuur 1. Aan- 
sluitgegevens 
van de C64- 
userport. 


Tabel 1. Deze 
tabel toont de 
verschillen tus- 
sen de diverse 
userports van 
Commodore- 
machines. 















































































elektuur 
september 1986 


52 


Tabel 2. Zo 
moet de 
Centronics- 
konnektor op 
de interface 
worden aan- 
gesloten. 


Figuur 2. Waar 
wat op een 
Centronics- 
konnektor 
hoort, ziet u 
hier. 


Figuur 3. Met 
behulp van dit 
eenvoudige 
testprogramma 
kan worden 
nagegaan of 
alles ook goed 
werkt. 


Rood, groen, geel 
of helemaal niets 

Om er voor te zorgen dat u 
ook kunt zien wat er zoal 
gebeurt, hebben we alle 
Centronics-lijnen met een 
indikatie-L ED uitg erust; een 
gele voor FLAG2, een stel rode 
voor de datalijnen en een 
groen exemplaar voor PA2. 

Bij het inschakelen van de C64 
wordt de richting van data- 
register B van de userport- 
drivers automatisch op "uit- 
gang” geschakeld (POKE 
56579,255 doet overigens het- 
zelfde). De datalijnen kunnen 
nu via dit register gestuurd 
worden (POKE 56577, X). PA2 
wordt via de A-registers geset 
(POKE56578, PEEK (56578) 

OR 4), waarna deze met POKE 
56575, PEEK (56576) OR 4 
geschakeld kan worden. 

Omdat FLAG2 nu een ingang 
is, kan deze van buiten af 
geschakeld worden. 

Beschikt u niet over een bruik- 
baar Centronics-programma 
(dat, zoals u weet, nodig is om 
de userport als Centronics- 
uitgang te kunnen gebruiken) 
dan kan met behulp van het 
testprogrammaatje in figuur 3 
gekeken worden of alles goed 
werkt. Na het "runnen” van dit 
programma zal bij het indruk- 
ken van één van de toetsen 
1 t/m 8 de bijbehorende LED 


tabel 2 


PEN 

USERPORT 

signaalrichting 

CENTRONICS 

PEN 

A 

GND a l 


GND 

19-29 

B 

FLAG2 - 1 


’ACKNLG, (BUSY) 

10 (11) 

C 

PB 0 - 2 


DATA 0 

2 

D 

PB 1 = 3 


DATA 1 

3 

E 

PB 2 * 4 


DATA 2 

4 

F 

PB 3 - 5 


DATA 3 

5 

H 

PB 4 - 6 


DATA 4 

6 

J 

PB 5 * 7 


DATA 5 

7 

K 

PB 6 - 8 


DATA 6 

8 

L 

PB 7 - 9 


DATA 7 

9 

M 

PA 2 - 10 


STROBE 

1 


'bij geïnverteerde buffering BUSY-aansluiting 



->■ = signaal in 


PIN 


1 

STROBE 


2 

DATA 0 

-»■ 

3 

DATA 1 

-► 

4 

DATA 2 

-+ 

5 

DATA 3 

-»■ 

6 

DATA 4 

-* 

7 

DATA 5 

-* 

8 

DATA 6 

-*■ 

9 

DATA 7 


10 

ACKNLG 

4 - 

11 

BUSY 

4 - 

12 

PAPER OUT 

4 - 

13 

SELECT 

4 - 

14 

GND (0 V) 


15 

— 


16 

GND (0 V) 


17 

GND CHASSIS 


18 

+5 V 





«-= signaal uit 


GND-(1) 

PIN 

19 

GND-(2) 

20 

GND (3) 

21 

GND-(4) 

22 

GND-15) 

23 

GND-(6) 

24 

GND-(7) 

25 

GND-(8) 

26 

GND-19) 

27 

GND-(IO) 

28 

GND-(1 1 ) 

29 

GND-131) 

30 

PRIME 

31 

ERROR 

32 

GND (0 V) 

33 

— 

34 

— 

35 

— 

36 


3 


100 PR I NT CHR$ < 147) : PRINT" DEMOPRÜGRAMMA CÓ4-USERP0RT " 
1 1 0 PRINT" ***************************" 

120 POKE 56579, 255 s C=5Ó577 : POKEC , 0 
140 PRINT 

1 50 PR I NT "LED HEXADEC I MAAL " 

160 GET R* : I F R*=" "THEN GOTO 160 
1 70 R=VAL < R$ ) : PR I NT R , 

180 IF R > 0 ANDR<9 THEN GOTO 200 
190 PRINT" FOUTIEVE INVOER !": GOTO 160 
200 B=2 / 'R/2 

210 X=A AND NOT B OR B AND NOT A 
220 PRINTX 
230 POKEC, X 
240 A=X 

250 FOR V=1 TO 100 :NEXT 
260 GOTO 160 





53 


elektuur 
september 1986 


PB 7654321 0 

oooooooo 

MLKJHFEDCB 

o _o 

PA 2 FLAG2 

USERPORT C64 


im 


doven of oplichten. Hebt u wel 
een Centronics-programma, 
dan hoeft ons testprogramma 
niet per se ingegeven te wor- 
den. 

Voor de Centronics-uitvoering 
moeten voor IC1 en IC2 (zie 
figuur 5) drivers respektievelijk 
AND-poorten worden gebruikt 
(de LED’s lichten dan alleen op 
bij een logische nul). Wilt u 
alleen maar een userport-indi- 
katie, dan moeten inverters 
respektievelijk NAND-poorten 
worden ingezet. Elke logische 
één op de userport zal dan hel- 
der en ondubbelzinnig aange- 
geven worden. 

Opbouw 

De in- en uitgang van de print 
hebben we gemakshalve in de 
originele C64-rastermaat van 


3,96 mm uitgevoerd. De female- 
konnektor die op de userport 
moet worden geprikt, kan dan 
ook rechtstreeks en probleem- 
loos op het printje worden 
gesoldeerd. Waar alle andere 


onderdelen thuishoren, laat de 
print-layout in figuur 6 zien. 

Wilt u van het door ons voor- 
gestelde kastje gebruik maken, 
let er dan met name op dat alle 
LED’s niet alleen de juiste 


5 



Iftfc&T 


lï&|B J EPEl J E} J Eh J & J 0 J [5 J 0 J 0 J 

ongebufferde aansluitingen 


8&03S3 


Figuur 4. Dit 
voorbeeld voor 
een "front- 
plaat " kan ook 
heel goed als 
boormal wor- 
den gebruikt. 


Figuur 5. Echt 
veel is er met 
nodig om een 
userport-mdi- 
katie annex 
Centronics- 
interface te 
maken. 


i 


0 



niet gebuflcrd 


. J 














































































elektuur 
september 1986 


Figuur 6. Drie 
"opnames" van 
de dubbelzijdi- 
ge print voor 
de interface. 


Onderdelenlijst 

Weerstanden: 

R1...R10 = 330 Q 
Ril = 4k7 

Kondensatoren: 

Cl = 100 n 

Halfgeleiders: 

D1...D10 = LED 
(kleur naar smaak) 

IC1 = 74LS04 of (voor 
Centronics) 74LS07 
IC2 = 74LSOO of (voor 
Centronics) 74LS08 

Diversen: 

twee 14-polige 
IC-voetjes 
13 soldeerstiften 
female-konnektor voor 
de userport, 2 x 12, 
rastermaat 3,96 mm 
(TRW) 

11-aderige flatcable 
36-polige Centronics- 
konnektor 

Elektuurprint EPS 86035 
(zie ook EPS, pag. 6) 

Geschatte bouwkosten: 
circa f 35, - 



hoogte hebben, maar ook op 
dezelfde hoogte staan. 

De punten plus en min en de 
met de cijfers 1 t/m 11 geken- 
merkte plaatsen moeten wor- 
den voorzien van een soldeer- 
pen. 

Het met een sterretje aangege- 
ven aansluitpunt dient voor de 
(op de userport van de C64 
aanwezige) 5-V-aansluiting. Wil 
men deze van de userport 
betrekken, dan moet een stuk- 
je draad door dit punt worden 
gestoken, dat dan aan beide 
zijden van de print wordt 
gesoldeerd. Wilt of moet u de 
schakeling extern voeden, dan 
moeten de voedingslijnen op 
de met + en 1 aangegeven 
punten aangesloten worden. 

De voor de C64 bedoelde voe- 
dingsaansluiting (die met het 
sterretje dus) mag dan uiter- 
aard niet meer worden ”door- 
gemetalliseerd”. 

Het aansluiten van de Centro- 
nics-konnektor gebeurt mid- 
dels een stuk bandkabel dat 
aan de soldeerstiften 1 ... 10 en 
1 moet worden vastgesoldeerd. 
Waar wat hoort, laat tabel 2 
zien. Punt 11 kan eventueel 
gebruikt worden om PC2 als 
extra synchronisatiesignaal 
(ongebufferd) af te takken. 

Behuizing: 

maatwerk 

De print van de interface past 
met wat vijl- en zaagwerk pre- 
cies in het kastje dat u op de 
foto vooraan in dit artikel kunt 
zien. Zo’n doosje is al geruime 
tijd in de handel en is over 
het algemeen goed verkrijg- 
baar. Als voorbeeld voor een 
"frontplaat” (of eventueel als 
sjabloon voor de te boren gaat- 
jes) kan de in figuur 4 afge- 
beelde tekening dienen. 

Ter afsluiting nog een tip: kon- 
troleer de schakeling op zijn 
werking voordat de behuizing 
dicht wordt gemaakt, want 
weer openmaken is vers 2 . . . 








uitschakelautomaat 

In het schema van de uitschakel- 
automaat (juli/augustus 1986, 
blz. 56) is het een en ander misge- 
gaan. Diode D2 moet namelijk wor- 
den omgekeerd (kathode aan uit- 
gang N2) en kondensator C2 moet 
met de drain-aansluiting van Tl wor- 
den verbonden i.p.v. met de source 
aansluiting. 

Op de print hoeft niets te worden 
veranderd, hier loopt alles volgens 
het gekorrigeerde schema. 

zuinig auto-alarm 

In schakeling nummer 2 van de Half- 
geleidergids 1986 (blz. 57) is een 


foutje in het schema geslopen. Er 
blijft namelijk een kleine stroom via 
Tl door relais Rel lopen als dit is af- 
geschakeld. Dit kan worden verhol- 
pen door de emitter van Tl niet te 
verbinden met het relais en de kol- 
lektor van T2, maar deze via een 
weerstand van 18 k aan te sluiten op 
de 12-V-voedingsspanning. 

Tevens werd bij deze schakeling de 
naam van de auteur abusievelijk niet 
vermeld: de heer D. Bunink. 

digitale 

stappenschakelaar met 
eindstops 

In het schema van deze schakeling 



(juli/augustus 1986, blz. 151) ont- 
breekt een massa-verbinding. De 
pennen 1, 8, 9, 10 en 15 van IC1 en 
12 en 23 van IC2 dienen met massa 
te worden verbonden. Deze punten 
waren in het schema reeds met el- 
kaar doorverbonden, maar helaas 
was het massatekentje bij deze lijn 
weggevallen. 


P W \\VJ^ pnnten 
I ze,f maken 

U hebt hiervoor 
. ✓ nodig: een spuitbus 
"'"transparant-spray, een 
layout-pagina, een UV-lamp, 
natronloog en positief foto- 
gevoelig printmateriaal (evt. 


( I I zelf ma- 

ken met posi- 
tieve fotokopie er- 
y/ lak en printmateriaal). 
■ De fotogevoelige 
koperzijde van het printma- 
teriaal wordt met de 
transparant-spray goed nat 
gespoten. 

■ De uit de layout-pagina 
geknipte koper-layout (in 
spiegelbeeld) legt u met de 
gedrukte zijde op het natte 
printmateriaal. Druk het 
papier licht aan en verwijder 
eventuele opgesloten lucht- 


86085 


pompautomaat 


< 

x 

rao 


V 


£3 




a? 




ii» 


& 


86019 








RTTY-interface 



j 






Va 


belletjes door voorzichtig 
met een prop papier over 
de layout te strijken. 

■ Het geheel kan nu met 
een UV-lamp belicht wor- 
den. De belichtingstijd is 
afhankelijk van de gebruikte 
UV-lamp, de afstand hiervan 
tot het printmateriaal en het 
fotogevoelige materiaal. 

■ Na het belichten verwij- 
dert u het layoutvel (nog 

meerdere malen bruikbaar) 
en spoelt u het printmate- 
riaal onder stromend water 
schoon. 

■ Na het ontwikkelen van 
de fotogevoelige laag in 

natronloog (ongeveer 9 gram 


.SI®. 










86068 


RL 


in 1 liter water oplossen) kan 
de print in ijzer-3-chloride 
(500 gram FeCl 3 in 1 liter 
water) geëtst worden. Spoel 
daarna de print grondig 
schoon (en ook uw handen!), 
verwijder met wat staalwol 
het fotogevoelige laagje van 
de kopersporen en boor de 
gaatjes. 

■ Spaar ons milieu en gooi 
geen uitgewerkte chemi- 
caliën of resten ervan achte- 
loos in de gootsteen, maar 
informeer in uw gemeente 
naar een hiervoor bestemd 
depot! 

(Voor kant-en-klare Elektuur- 
printen zie pagina 6.) 


®i 




regenmeter 


seoes 




£ 



} S< 




wm 


mm 





aeoja 


©J 





elektuur 
september 1986 







59 


elektuur 
september 1986 


REGENMETER 

Dat het in Nederland vaak regent, is iedereen wei 
bekend. Hoeveel het echter geregend heeft, is iets wat 
we vaak niet weten. Bij grote wolkbreuken wordt meestal 
in de krant wei verteld hoeveel water er naar beneden is 
gekomen, maar voor de amateurweerkundige is dit niet 
voldoende. Hij wii natuurlijk zeif de hoeveelheid neerslag 
kunnen meten. 


Hoeveel regen is eigenlijk te 
verwachten? Het K.N.M.I. was 
zo bereidwillig om ons daarop 
een antwoord te geven. Tijdens 
een herfstbui van enkele uren 
komt ongeveer 20. . .25 mm/m 2 
water naar beneden. Bij een 
wolkbreuk is dit al gauw 50 . . 

. .60 mm/m 2 . Met onze regen- 
meter kunnen we de exakte 
hoeveelheid neerslag meten, 
tot op de millimeter nauwkeu- 
rig. De uitlezing van de regen- 
meter bestaat uit twee LED- 
display’s. Wanneer het zo hard 
geregend heeft dat deze twee 
displays niet voldoende zijn om 
de hoeveelheid neerslag weer 
te geven, raden wij u aan om 
de regenmeter in de steek te 
laten en een boot op te zoe- 
ken. Het land is dan onder- 
gelopen. 

Neers/agsensor 

Voordat we met de bouw van 
de elektronica kunnen begin- 
nen, moet er eerst een hoe- 
veelheid mechanisch werk 
verricht worden. De neerslag- 
sensor bestaat uit een soort 
wip met twee bakjes en een 
lichtsluis. Bij de bouw van de 
sensor moeten we zo nauwkeu- 
rig mogelijk te werk gaan. De 
uiteindelijke nauwkeurigheid 
van de regenmeter is namelijk 
afhankelijk van de nauwkeurig- 
heid van deze sensor. 

Figuur 1 laat het zij-aanzicht 
van de meetsensor zien. Het 
door de trechter opgevangen 
water komt terecht in één van 
de kamers van de meetwip. De 
hoeveelheid water in de kamer 
zal toenemen, totdat de wip 
omklapt door het gewicht van 


het water. De kamer loopt dan 
leeg en het uit de trechter 
komende water zal nu in de 
tweede kamer terecht komen 
totdat de hoeveelheid water de 
wip weer doet omklappen naar 
de andere kant. Telkens wan- 
neer de wip omklapt, zal de 
lichtsluis (gevormd door Dl en 
Tl) een signaal afgeven, doch 
daarover later meer. 


Om te beginnen moeten we 
een kunststof of metalen trech- 
ter hebben met een diameter 
van ongeveer 15 tot 20 cm. 
Wanneer we een dergelijke 
trechter niet kunnen krijgen, 
zullen we er zelf één moeten 
maken uit dun messingplaat. 
We moeten er voor zorgen dat 
de uitloop van de trechter een 
diameter heeft van niet meer 


1 


trechter 


behuizing 


meetwip 



justeerschroeven 



— 

r ) 

H 


— v 

2 

/ 




/ 



rs 

■ ■ 

9 



L-J 


/ 



meetwip 

scheidingswand 
- buis 

as 


borgring 
lichtsluis 


86068-2 


meet de 
hoeveel- 
heid 

neerslag in 
millimeters 


Figuur 1. 
Dwarsdoorsne- 
de van de 
meetsensor 
met een detail 
van de meet- 
wip. 




elektuur 
september 1986 


60 


Figuur 2. De 
elektronica van 
de regenmeter. 



Figuur 3. Span - 
ningsverloop 
als funktie van 
de tijd op 
diverse punten 
van de schake- 
ling. De num- 
mers zijn terug 
te vinden in het 
schema. 


dan 3 mm. Monteer de trechter 
vervolgens in een kastje of een 
buis zonder bodem. 

Voor de meetwip hebben we 
een stuk messing U-profiel 
nodig dat 3 cm korter is dan de 
breedte van de behuizing. De 
exakte maat is afhankelijk van 
de diameter van de trechter. 
Precies in het midden van het 
U-profiel wordt een schotje ge- 
soldeerd. Hierdoor is de wip in 
twee kamers verdeeld. Zorg er 
voor dat er geen water langs 
het scheidingsschot kan lopen. 
Precies onder het scheidings- 
schot wordt een stuk buis 
gesoldeerd waardoor een as 
gestoken wordt. Twee borgrin- 
gen zorgen er voor dat de wip 


© 

n_n_rLr 3 







f ~ 

f r r 

© 

“1 



1 

| 




niet over de as heen en weer 
kan schuiven. Ongeveer 20 mm 
onder de wip wordt een mes- 
sing strip van 10 x 5 mm 
gemonteerd. In de strip bevin- 
den zich twee gaten voorzien 
van schroefdraad, voor de 
justeerschroeven. Tevens wordt 
op de strip de lichtsluis 
gemonteerd. De lichtsluis is 
gemaakt van een stuk kunststof 
en bevat een infrarooddiode en 
een fototransistor. Wie tot hier 
gekomen is, heeft het zwaarste 
stuk achter de rug. Nu komt 
het gemakkelijkste deel. 


De elektronica 

De lichtsluis bevat een infra- 
rooddiode die als zender 
dienst doet. De stroom door de 
diode wordt door R1 op 2 mA 
begrensd (zie figuur 2). Wan- 
neer licht op de fototransistor 
valt, gaat er een kollektor- 
stroom van ongeveer 0,1 mA 
lopen. Hierdoor daalt de kol- 
lektorspanning tot bijna 0 V. 
Wanneer geen licht op de tran- 
sistor valt (de wip zit tussen de 
lichtsluis), spert de transistor 
en is de spanning op de kol- 
lektor praktisch 12 V. Via een 
drie-aderige kabel wordt de 
lichtsluis met de rest van de 
elektronica verbonden. R3 en 
C3 werken eventuële stoorpul- 
sen weg, zodat deze niet op de 


ingang van NI terecht kunnen 
komen. Het van Tl afkomstige 
signaal wordt door NI "gedigi- 
taliseerd”. Telkens wanneer de 
wip omklapt moet de teller een 
puls krijgen. Hiervoor wordt 
het signaal na NI opgesplitst. 
Het signaal gaat via het diffe- 
rentiërend netwerk C4/R4 naar 
N3. Tevens wordt het geïnver- 
teerd door N2 en gaat dan via 
C5/R5 naar de andere ingang 
van N3. Een differentiërend 
netwerk maakt van een neer- 
gaande flank een korte puls. 

Op pen 12 van N3 verschijnt 
dus een puls bij elke neer- 
gaande flank van het door NI 
geleverde signaal en op pen 13 
van N3 verschijnt een puls 
bij elke opgaande flank (door 
de aanwezigheid van N2). Aan 
de uitgang van N3 komen deze 
pulsen als nette telpulsen 
tevoorschijn. In figuur 3 is het 
spanningsverloop op verschil- 
lende punten als funktie van de 
tijd te zien. 

De teller wordt gevormd door 
IC2. Dit IC bevat twee BCD- 
tellers. Bij elke telpuls wordt 
de tellerstand met één ver- 
hoogd. Wanneer het hoogste 
bit van teller B van hoog naar 
laag gaat, zal de tienteller (A) 
één verder tellen. IC3 en IC4 
zetten de BCD-kode om naar 
een zevensegmentkode. Deze 
IC’s zijn in staat direkt een 

LED-display te sturen. De 



















61 


elektuur 
september 1986 


weerstanden R7 . . . R20 dienen 
voor de begrenzing van de 
LED-stroom. Ten slotte nog iets 
over het stroomverbruik. De 
schakeling verbruikt in het 
ongunstigste geval niet meer 
dan 300 mA. Een 7812 is dus 
ruimschoots voldoende om de 
schakeling te voorzien van een 
nette gelijkspanning. 

Het gedeelte van de schake- 
ling rond Tl verdient nog eni- 
ge aandacht. Als de hoeveel- 
heid infraroodlicht op Tl aan 
de lage kant is, bestaat de kans 
dat de kollektorspanning niet 
laag genoeg wordt. Met behulp 
van een meter met een hoge 
ingangsimpedantie (1 MQ) kan 
de spanning op de kollektor 
van Tl gemeten worden. Wan- 
neer IC1 een type van Motor- 
ola, RCA of National Semi- 
conductor is, moet de spanning 
dalen tot beneden 4 V. Bij 
Fairchild-typen moet de span- 
ning beneden de 3 V komen. 

Is dit niet het geval, dan moet 
R2 vergroot worden. Tevens is 
het mogelijk om in plaats van 
een BP 103 een BP 103B toe te 
passen. De B-uitvoering heeft 
namelijk een veel grotere ver- 
sterking. Wordt de regenmeter 
in een signaalonvriendelijke 
omgeving gebruikt, dan is het 
raadzaam om R3 te vergroten 
tot 1 M. Dit voorkomt foutieve 
triggering van NI. Met de 
reset-knop kunnen we de 
meter na een dag regen weer 
op nul zetten 

De bouw van het elektronische 
gedeelte zal geen problemen 
opleveren. Onderdelen op de 
print solderen (zie figuur 4) en 
klaar is de regenmeter. 

Afregeh'ng 

Om te beginnen moeten we 
exakt het opvangoppervlak van 
de trechter weten. Bij een 
rechthoekige trechter is dit 
oppervlak: 

A = lengte x breedte 

Bij een ronde trechter is het 
oppervlak 

A = 5 d 2 (d = diameter) 

Wanneer 10 mm regen valt, is 
de hoeveelheid water die door 


4 



Figuur 4. Print- 
layout en kom- 
ponentenopstel- 
hng van de 
regenmeter. 

Om ruimte te 
besparen moe- 
ten de weer- 
standen R7. . 

. . R20 vertikaal 

geplaatst 

worden. 


onze trechter wordt opge- 
vangen: 

1 cm x A (in cm 2 ) = A cm 3 = 
A ml 

Wanneer we deze hoeveelheid 
water (gebruik een maatbeker 
of maatcilinder) in de trechter 
gieten, zal bij een goed afgere- 
gelde meetsensor de teller op 
10 staan. 

Wanneer we bijvoorbeeld een 
meetwip hebben met kamers 
van 2 x 3 x 10 cm en een 
trechter met een doorsnede 
van 18 cm, dan is het opper- 
vlak: 

A = • 3,14 = 254,5 cm 2 

Bij deze trechter moeten we 
dus 255 ml water in de sensor 
gieten om de uitlezing op 10 te 
krijgen. Wanneer al het water 
in de sensor gegoten is, moet 
elke meetkamer zich vijf maal 
gevuld hebben en de wip is 
tien keer omgeklapt. Met de 


justeerschroeven kunnen we 
de kantelpunten zo instellen 
dat de wip precies tien keer 
omklapt. 

Tenslotte plaatsen we de meet- 
sensor in de tuin. Uiteraard op 
een plek waar de regen niet 
afgeschermd wordt door bij- 
voorbeeld bomen. Hopelijk 
voor u komt er daarna snel een 
regenbui van enige betekenis, 
hoewel het wat ons betreft nog 
wel even droog mag blijven. 


Onderdelenlijst 

Weerstanden: 

R1 = 470 Q 
R2,R4,R5 = 120 k 
R3 = 100 K 
R6 = 12 k 
R7...R20 = 560 Q 


Kondensatoren: 

Cl = 220 |i/ 25 V 
C6 - 10^/16 V 
C2 r C3 = 100 n 
C4,C5 = 22 n 


Halfgeleiders: 

Dl = LD 271 H 
(infrarood-diode) 

BI = B80C1500 
Tl = BP 103 of 
BP 103B 
IC1 = 4093 
IC2 = 4518 
IC3JC4 = 4511 
IC5 = 7812 
LD1.LD2 = common 
cathode display, bijv. 
HP 7760 


Diversen: 

SI = dmkschakelaar, 

1 x maak 

Elektuur-print EPS 86068 
* (zie blz. 6) 

Geschatte bouwkosten: 
circa ƒ 50,— 




elektuur 
september 1986 


62 


DRAAGBAAR 

MENGPANEEL 


A.Schmeets 


een semi- 
profes- 
sioneel 
mengpa- 
neel voor 
het 

podium 
(deel I) 



Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit 
mengpaneel is absoluut niet bedoeld voor een party- 
ruimte o. i.d. Nee, de échte sound-mixer kan hier zijn stag 
slaan! Want alles, maar dan ook werkelijk alles wat er op 
een mengpaneel hoort te zitten, zit er op. Het geheel is 
modulair opgebouwd, uitbreidbaar, draagbaar, 
kompleet en. . . betaalbaar! 


Een mengpaneel dat voor 
(semi-)professionele toepassin- 
gen wordt ingezet, moet aan 
een hele serie speciale eisen 
voldoen. Zo zijn bijvoorbeeld 
symmetrische én asymmetri- 
sche in- en uitgangen welhaast 
verplicht. Zaken zoals een 
monitor en afzonderlijk instel- 
bare uitgangen voor elk kanaal 
zijn eveneens noodzakelijk. 
Uiteraard moet de gevoeligheid 
van de ingangen kunnen wor- 
den aangepast aan het aange- 
boden signaal, en ook een 
uitgebreide toonregeling per 
kanaal is iets dat niet weggela- 
ten mag worden. En zo kunnen 
we nog een tijdje doorgaan. In 


ieder geval zal het nu wel dui- 
delijk zijn waarom aan een 
béétje mengpaneel uit de win- 
kel zo’n verschrikkelijk gepe- 
perd prijskaartje hangt. Als 
Elektuurlezer komt u er echter 
een stuk goedkoper vanaf — 
een flink stuk zelfs, want zelf- 
bouw is, vooral bij dergelijke 
schakelingen, bijzonder lo- 
nend! 


Modules 

Ons voorbeeld van de module- 
frontplaat in figuur 1 geeft 
ongetwijfeld een goede indruk 
van de totale opzet. Het meng- 


paneel bestaat in totaal uit vier 
verschillende modules, die op 
een willekeurige manier en in 
willekeurige aantallen met 
elkaar gekombineerd kunnen 
worden. Een vijfde module 
bevat de voeding. In detail 
bestaat het mengpaneel uit de 
volgende sekties: 

■ De mono-ingangseenheid 
(MIC). Deze module zal 
ongetwijfeld het vaakst ge- 
bruikt worden. De ingangsge- 
voeligheid is instelbaar over 
een bereik van 60 dB. Op deze 
module kunnen diverse mono- 
signalen, van mikrofoon tot 
keyboard, aangesloten worden. 
De module is voorzien van een 



elektuur 
september 1986 


regelaar voor effektapparaten, 
een drievoudige toonregeling 
en een piekdetektor voor het 
aangeven van oversturing. Ver- 
der is de module voorzien van 
regelaars voor voorafluistering 
oftewel PFL (PreFadeListening), 
monitor en panoramaregeling. 
De ingang is symmetrisch. 

Voor asymmetrisch gebruik 
moet een van de symmetrische 
ingangen aan massa gelegd 
worden. 

■ De stereo-ingangseenheid 
(MD STEREO) is voor het 

aansluiten van verschillende 
signaalbronnen. De module 
bevat een stereo-ingang voor 
een platenspeler (MD), een 
mono-line-ingang voor het 
geval er een extra line-ingang 
noodzakelijk is, en een norma- 
le stereo-ingang (aux). Bij het 
gebruik van de line-ingang 
werkt de balansregelaar als 
panoramaregelaar. 

■ De koptelefoon/monitor- 
module (MON. OUT) is voor- 
zien van een koptelefoonver- 
sterker waarmee we, van elke 
module, de line-out-, monitor- 
en PFL-uitgang kunnen beluis- 
teren. Het monitorgedeelte 
bevat een drievoudige toonre- 
geling. Dit is bij het gebruik 
van een monitorinstallatie op 
het podium noodzakelijk, 
onder andere in verband met 
rondzingea De uitgang voor 
de aansluiting van de eventuële 
effektapparaten, plus de bijbe- 
horende regelaar, is ook onder- 
gebracht in deze module. 

■ De belangrijkste module is 
de uitgangsmodule (LINE 

OUT BAL.). Deze bevat naast 
een toonregeling en andere 
snufjes een stereo LED-VU- 
meter. Het uitgangssignaal kan 
zowel symmetrisch als asymme- 
trich zijn. 

In dit eerste deel van deze 
bouwbeschrijving worden de 
beide ingangsmodules en de 
voeding beschreven. In de vol- 
gende afleveringen komen de 
beide uitgangsmodules aan de 
orde en laten we zien hoe de 
modules ingebouwd kunnen 
worden. 

Netvoeding 

Een oude Elektuur-wijsheid 
zegt: Een apparaat is zo goed 



als zijn voeding. In het draag- 
bare mengpaneel is om deze 
reden de gelijkspanning dub- 
bel gestabiliseerd. De eerste 
stabilisering vindt plaats in de 
voeding. Op elke module zit 
verder een spanningsregelaar 
die de tweede stabilisatie ver- 


zorgt. De voeding (figuur 2) 
bestaat uit een print met daar- 
op, behalve de trafo en een 
schakelaar, alle elektronica 
voor het voeden van minstens 
12 modules. IC1 en IC2 stabili- 
seren op + 18 V (instelbaar met 
R3 en R4). Tl en T2 met het bij- 


63 


Figuur 1. Aan 
de hand van 
deze frontpla- 
ten kan een 
beeld gevormd 
worden van de 
totale opzet van 
het meng- 
paneel 


Figuur 2. De 
voeding waar- 
mee ongeveer 
12 modules 
gevoed kunnen 
worden. De 
print-layout is 
te vinden in 
figuur 10. 
































elektuur 
september 1986 



Figuur 3. Het 
schema van de 
MIC-module. 


Figuur 4. Wan- 
neer het span- 
ningsregelaar- 
IC XR4195 niet 
verkrijgbaar is, 
kan ook ge- 
bruik gemaakt 
worden van 
een 78L15 en 
een 79L15. Hoe 
deze twee IC's 
op de print 
gezet moeten 
worden, is te 
zien in deze 
figuur. 


behorende RC-netwerk zorgen 
bij inschakelen voor het lang- 
zaam opkomen van de voe- 
dingsspanning, zodat er geen 
inschakel”plop” hoorbaar is. R8 
is een VDR (spanningsafhanke- 
lijke weerstand) die storingen 
in de netspanning onderdrukt. 
Het thema aarding is bij po- 
diumapparatuur altijd een pro- 
bleem. Met S2 kan de 
verbinding met aarde onder- 
broken worden. Mocht er toch 
iets mis zijn, dan slaat de neon- 


lamp door, waardoor de netze- 
keringen aanspreken. Bij de 
afregeling van de uitgangs- 
spanning worden R3 en R4 ver- 
vangen door twee 5-k-instel- 
potmeters. Deze potmeters wor- 
den zo ingesteld dat de uit- 
gangsspanning 18,1 V is. De 
potmeters worden daarna ver- 
wijderd en gemeten. De geme- 
ten waarde wordt met behulp 
van vaste weerstanden samen- 
gesteld, waarna die weerstan- 
den in de schakeling worden 


gebouwd. Tenslotte kan men 
de uitgangsspanning nog eens 
kontroleren. 


MIC-module 

Een blik op de schakeling van 
figuur 3 laat zien dat deze 
ingangseenheid helemaal niet 
zo komplex is, ondanks de gro- 
te hoeveelheden potmeters. Al, 
A2 en A3 vormen samen de 
symmetrische ingangsverster- 
ker. De gevoeligheid van de 
line-ingang ligt 20 dB lager dan 
de mikrofooningang. Al en A2 
zijn ruisarme opamps. Dit is 
noodzakelijk om de totale ruis 
van de versterker zo laag 
mogelijk te houden. De weer- 
standen R1 . . . R13 moeten 1%- 
metaalfilmweerstanden zijn. Dit 
in verband met de gelijkloop 
van de twee opamps Al en A2. 
Met PI kunnen we de verster- 
kingsfaktor van de ingangs- 
versterker instellen tussen 10 
en 900. PI moet van een goede 
kwaliteit zijn, omdat deze op 
een ruis- en kraakgevoelige 
plaats zit. Tl en T2 vormen de 
piekdetektor. De spanningsde- 
ler R14/R15 zorgt er voor dat de 
detektor aanspreekt bij 9 V„ of 
3 V e(f . Dit komt bij maximale 































elektuur 
september 1986 




versterking overeen met een 
ingangsspanning van 3 mV eff . 

Na de koppelkondensator C4, 
die de potmeters gelijkspan- 
ningsvrij houdt, komt een drie- 
voudige aktieve toonregeling 
rond A4. Vóór deze toonrege- 
ling wordt natuurlijk het signaal 
voor de effektuitgang afgeno- 
men. Met P6 kunnen we het 
signaal voor de monitor-uitgang 
regelen. P7 is een schuifpotme- 
ter. Met deze potmeter regelen 
we het uitgangssignaal en het 
signaal voor een meersporen- 
recorder. In verband met even- 
tuele terugwerking is P7 een 


-x.. 




20 


R2 


«ft 


R2 


Ê I 


E/ 4 


Figuur 5. De 
print voor de 
MIC-module. 


Onderdelenlijst 

MIC-module 

Weerstanden: 

R1 = 100 k metaalfilm 
R2,R3 = 1 k metaal vim 
R4.R5.R8.R9.R12, 

R13 = 10 k metaalfilm 
R10.R11 = 2k 2 
metaalfilm 

R6 = 100 Q metaalfilm 
R7 = 6k8 metaalfilm 
R14 = 47 k 
R15.R16 = 6k8 
R17 = ik5 
R18.R25.R30.R31, 

R32 = 22 k 
R19.R20.R21, 

R24 - 10 k 

R22.R23.R28.R29 x 3k3 
R26.R27 = 100 k 
R33 = 1 M 
PI = 25 k fan. 

potmeter* * 

P2.P6 = 25 k log. 
potmeter** 

P3...P5 = lOOklin. 
potmeter* * 

P7 = 10 k log. stereo 
schuifpotmeter. schuif- 
tengte 58 mm 

Kondensatoren: 

C1,C2 = 15 p 
C3 = 2 m 2/16 V 
C4.C1 1 = 10 p/40 V 
bipolair 
C5 = 47 n 
C6 = 5n6 
C7 = 22 n 
C8.C9 = 4n7 
CIO = 10 p 
C12 = 470 n 
C13 - 220 n 
C14.C15.C20 =» 100 n 
C16.C17 = 100 p 
C18.C19 = 10 p/16 V 

Halfgeleiders: 

01.02 = 1N4148 
D3 = LED rood 
T1.T2 - BC 5586 
IC1 ■ NE 5532. LM 833 
IC2 = LF 356, TL 071 
IC3 = TL 072 
IC4 = XR 4195* 

Diversen: 

SI = enkelpolige 
miniatuurschakelaar 
6.3 mm stereo 
chassisdeel 
driepotig Cannon- 
chassisdeel 
13 polige konnektor, 
male, volgens 
DIN 41617 
knoppen voor 
potmeters* * 
Elektuur-frontplaatfolie 
EPS 86012-1 F 
(z*e pag. 6) 

Elektuur print 
EPS 86012-1 
(zie pag. 6) 

*zie tekst 

•'Potmeters voor print- 
montage met 4-mm- 
as (Piher) 

Geschatte bouwkosten: 
circa f 100, — 


Figuur 6. Zo 
worden de 
printen van de 
stereo-mgangs- 
module samen- 
gebouwd. 















elektuur 
september 1986 


66 


7a 


C4 CS 

r-JhHH 


IS n 


llgfc 200* 1 

R4A ft** 



220n 




AU> 

/ 

rI )*> 


L )Ö- 


AU*/ 

/LiNE 



SV 1 « MO i%Mo\ 

2 aux (%two) 2bl 
2 • IINL ImonoJ 



R4^> R$A 
16k M 200h 


4*7 


IS * 


HHHH 

C4 1 CS 1 


pi • efF 
P2 • HIGH 
P3 MIO 
P4 • LOW 
PS - MON 
P4 ■ LEVEl 
P7 - BAL 

51 • S€L 

52 • PFL 



♦ t«AH 


A - 1% 


e»poUi«« *l*o 


Al . A2 = IC1 - NE 6632; LM 833 
A3 , A4 « IC2 . TL072 

Al’. A2' «» IC1' = NE5632: LM833 
A3‘. A4‘ - IC2' • TL072 



» i 

m C3 è 

lOOr.™ 

D 

tOu 

"V 2 

C24 

± 5 

=3 

KX)n 

K>v 

1*V s 


15 V 


1N4148 


IC3 

XR 

4195 


«1 « 
*00 o 


CZÏ 

*00p| 


l>30m* j 


,C*® 

itOOn 


-4-0 


[C20 

hOOn 


l’40mA 
86012 70 




Ifï 

PK 

MON 




♦tav 




-1« V 


Figuur 7a. De 
schakeling van 
de MD-STE- 
REO-mgangs- 
module. 


Figuur 7b. Men 
kan de verster- 
king instelbaar 
maken door 
aan de schake- 
ling van figuur 
7a een potme- 
ter van 100 k 
toe te voegen. 


stereopotmeter. Wanneer deze 
multitrack-uitgang niet nodig is, 
kan de uitgang omgebouwd 
worden als PFL-uitgang. In dat 
geval vervallen C12/R26 en één 
helft van P7. SI en R22 moeten 
extern aangebracht worden. P8 
is de panoramaregelaar. IC4 is 
de spanningsregelaar die de 
spanning van + 18 V terug- 
brengt naar ± 15 V. Dit IC is 



niet altijd even goed verkrijg- 
baar. In figuur 4 is een alterna- 
tief gegeven met twee aparte 
spanningsregelaars. De print 
voor deze module is te zien in 
figuur 5. 

MD-STEREO- 

modu/e 

De stereo-module heeft geen 
symmetrische ingang, aange- 
zien de meeste stereo-appa- 
raten toch geen symmetrische 
uitgang bezitten. Al vormt een 
ruisarme korrektievoorverster- 
ker voor een MD-platenspeler 
(figuur 7a). SI is de ingangskeu- 
zeschakelaar. In de stand Aux 
is de module geschikt voor 
apparaten zoals band- en 
cassette-recorders, die een 
relatief groot uitgangssignaal 
leveren. In de stand LINE wor- 
den het linker en het rechter 


kanaal doorverbonden. We 
hebben dan in feite een mono- 
module die alleen geschikt is 
voor line-nivo’s. Het aansluiten 
van een mikrofoon is hierbij 
niet mogelijk. De versterkers 
A2 en A2’ versterken 3 maal. 
Een gain-regelaar is niet aan- 
wezig. Wanneer men de ver- 
sterking toch wil kunnen 
regelen, dan moet de schake- 
ling aangepast worden volgens 
figuur 7b. Met behulp van de 
stereopotmeter PI wordt een 
monosignaal gemaakt voor de 
effektuitgang. Na de toonrege- 
ling volgt de regeling van het 
monitor-signaal (P5), het line- 
uitgangssignaal (P6) en de 
balans (P7). Wanneer de modu- 
le als line-versterker gebruikt 
wordt, dan funktioneert P7 als 
panoramaregelaar. De onderde- 
len R9, R10 en S2 zijn nodig 
voor de PFL. Deze onderdelen 
komen niet op de print. Een 
multi-track-uitgang is niet aan- 

















elektuur 
september 1986 


[ 7 




OJ 

dj 


(D 

GO 




15 


®l 


Q6Q12-2B 


CT7 

O ft O 


h PBa 


0 


,n 


CJ 


0) 


o{ 


R23 


QQQQ 


5 Pi |C2 


n n 

ö£«o||o 


oOOoO 


R22 




ho C 50 


R20 


R2Q 


Ria 


a > 


R 30 


SampB 

ra 




ÏC3 


o o 

oIOoB 

u 

|o-H-o2 

oOK>ra 


Oo5° 

5 

CD 

>2 

n ~ ^ O 

5 0-0 

(D w O 

oOQo 2 o 


3) 


b 


N CIO 


looHho8G-°5iQo 




b 


.1 


G-o rO<HH) 

3 o 0^o 0-og 8 o»? 

T n °-Os <HHQ©g 

'”cHK>oo o0d “ 

n s' 1 

-> 2 o o o ï 

DO I- Ox 


5 


C1B R21 C w O Q 

<HH> Q 5 ai > • , 

<HK>él üg? - 


R14 


JcHho O <Hho 


RiGim 

W 


c ^fi6' 1c 2c 

o q o 

Cl 5 -J — - 

0-° G=° <HH> 

ca- 

R19 6 5 ^ A P *T | g?p 


0-0^ *| £> T | 


O «Hho £ O £ 

1 1 &J- 

l ‘A u<xH»ogi-0 
U ï G~°, OiK>0 

ö W R5* ca* 


C pg 

t 9 o Q-o o o^o f j1A uxj 

U Ü 3J 

ffWRV 


'Cl’ 


Figuur 8. De 
printen van de 
MD-STEREO- 
ingangsmodule. 

Onderdelenlijst 

stereoingangsmodule 

Weerstanden; 

R1 f R1'.R2,R2' = 100 k 
metaalfilm 
R3.R3' = 390 Q 
metaalfilm 
R4.R4' = 16 k 
metaalfilm 
R5.R5’ = 200 k 
metaalfilm 

R6.R6.R8.R8' = 1 M 
R7.R7.Rn.Rir.R13. 
R13-.R21.R21' = 100 k 
R9.R10.R20.R20.R22, 
R22R23.R23.R24.R24'. 

R26 = 22 k 
R12.R12' = 47 k 
R14,R14',R16,R16'.R19. 

R19' = 10 k 
R17.R17.R18. 

R18' = 3k3 
R25.R25’ = 56 k 
R27.R28 = 6k8 
R29 = IkS 
R30 = 1 M 
PI = 25 k lm. stereo 
potmeter* * 

P2 . P4 = 100 k lan. 
stereo potmeter* * 

P5 = 25 k log, stereo 
potmeter* * 

P6 - 10 k log. stereo 
schuifpoimeter, 
scbuiflengte 58 mm 
P7 = 10 k lin. stereo 
potmeter** 

Kondensatoren; 

ci.cr = loo p* 

C2,C2'.C6.C6\C7,C7\ 

C18.C18' - 220 n 
C3.C3' = 100 ji/6.3 V 
bipolair 
C4.C4' « 4n7 
C5.C5' = 15 n 
C8.C19.C20.C25. 

C26 100 n 

C9.C9' = 470 n 
C10.C10.C17, 

C17' = 10 h/ 40 V. 
bipolair 

C11.C11' = 47 n 
C12.C12' = 5n6 
C13.C13' = 22 n 
C14.C14-.C15, 

C15' = 4n7 
C16.C16' = 10 p 
C21.C22 = 100 p 
C23.C24 = 10 p/16 V 
C27 = 2 *i2; 16 V 

Halfgeleiders: 

01.02 = 1N4148 
03 - LED rood 
T1.T2 * BC 557B 
ICI.ICV = NE 5532, 

LM 833 

IC2.IC2" = TL 072 
IC3 = XR 4195* 

Diversen: 

51 = draaischakelaar, 

3 moederkontakten/ 

3 standen 

52 ■ dubbelpolige 
miniatuurschakelaar 

6,3 mm stereo 
chassisdeel 
driepotige Cannon 
chassisdeel 
13-polige konnektor, 
male, volgens 
DIN 41617 
knoppen voor 
potmeters** 

Elektuur frontplaatfolie 
EPS 86012 2F 
(zie pag. 6] 

Elektuur print 
EPS 86012-2 
(zie pag. 61 
'zie tekst 

“Potmeters met 4-mm- 
as voor pnntmomage 
(Piher) 

Geschatte bouwkosten: 
circa f 150. - 



elektuur 
september 1986 


Figuur 9. 
Boorsjablonen 
voor de front- 
platen van de 
beschreven 
modules. De 
gaten voor de 
draaipotmeters 
moeten op de 
aangegeven 
plaats zitten. 

De overige 
gaten mogen 
afwijken van 
de aangegeven 
plaats. 




86012 2F 860124F 

86012 - 9/10 


wezig. Er is van uit gegaan dat 
het ingangssignaal vaak afkom- 
stig is van een multi-track- 
recorder. Wanneer geen RIAA- 
korrektie nodig is, kan de ver- 
sterker lineair gemaakt worden 
door het weglaten van C4/C5 
en door R4/R5 te vervangen 
door een weerstand R x 
(A = l + R x /R3). Voor een mikro- 
foonversterker is de versterking 
A meestal ongeveer 100 maal. 
Met Cl/Cl’ kan de ingangska- 
paciteit aangepast worden. De 
kondensatoren moeten van een 
goede kwaliteit zijn (bijv. MKT 
of MKH). De weerstanden die 
gemerkt zijn als metaalfilm- 


weerstand mag men niet ver- 
vangen door koolfilmweer- 
standen. 

De printen in figuur 8 bestaan 
uit twee delen. Nadat de kom- 
ponenten op de printjes 
gemonteerd zijn, wordt op 
print 2b in elk soldeereilandje 
met een losstaand wit rondje 
een stukje blank koperdraad 
van enkele cm lengte gesol- 
deerd (de draadjes moeten aan 
de koperzijde naar buiten ste- 
ken). De twee printjes worden 
daarna boven elkaar gemon- 
teerd (zie figuur 6), waarbij de 
draden precies in de eronder 
liggende witte rondjes van de 


print 2a moeten vallen. De 
draadjes worden daarna aan de 
print 2a vastgesoldeerd. 

Opbouw en test 

Hoeveel modules u nodig 
heeft, hangt af van het doel 
waarvoor u het mengpaneel 
wilt gaan gebruiken. De 
gebouwde modules kunnen 
getest worden door deze op 
de tuner- of aux-ingang van 
een stereoversterker aan te 
sluiten. Er kan dan getest wor- 
den of alle potmeters goed 
werken. Hoe een opgebouwde 





eieKiuur 
september 1986 


Figuur 10. De 
print voor de 
netvoeding. 


Onderdelenlijst 

netvoeding 

Weerstanden; 

R1 = 2M2 
R2 = 220 Q 
R3 = 3k6* 

R4 = 2k' 

R5 = 120 Q 
R6.R7 = 47 k 
R8 VDR SIOV- 
S10K250 (Siemens) 

'zie tekst 


Kondcnsatoren: 

C1...C4 = 47 n 
C5 = 47 n/250 V- 
C6.C7 = 4700 p/40 V 
C8.C9 = 100 n 
C10.C11 = 2p2'25 V 
C12 = 100 n/250 V- 
C13.C14 = 10 p 25 V 

Halfgeleiders: 

Dl. ..04 = 1N5401 
D5.D6 « IN 4001 
Tl = BC 557B 
T2 = 8C 547B 
IC1 = LM 317T 
IC2 = LM 337T 

Diversen: 

51 = enkelpolige net- 
schakelaar met centrale 
bevestiging, voor pnnt- 
montage 

52 = enkelpolige 
schakelaar 

F1 = zekering 1 A traag 
Lal = neonlamp zonder 
voorschakehveerstand 
La2 = neonlamp met 
voorschakelweerstand 
Tri = ringkerntrafo 
sekundair 2 * 18 V/ 
0.83 A (bijv. ILP 110141 
KI = 13- potige konnek 
tor. male, volgens 
DIN 41617 

2 koellichamen voor IC1 
en IC2 (bijv. SK59, 
lengte 37,5 mm) ' 
Elektuur frontplaatfolte 
EPS 86012 4F 
(zie pag 61 
Elektuur-pnnt 
EPS86012 4 
(zie pag. 61 


module er uiteindelijk uit moet 
komen te zien, vindt u in figuur 
6. De maten van de frontplaten 
staan in figuur 9. Natuurlijk is 
de lengte van de frontplaat 
afhankelijk van de door u te 
gebruiken behuizing. Wij heb- 
ben het gehele mengpaneel in 
een aluminium fotokoffer ge- 


bouwd. Dit heeft oa. bij het 
vervoer een aantal voordelen. 
Tevens is de koffer een prima 
afscherming. Zorg er voor dat 
de kast niet te klein is, zodat u 
later nog een aantal modules 
kunt toevoegen. Gebruik, om 
de gaten op te vullen, een aan- 
tal blindplaten, waarvoor in de 


EPS front-folies verkrijgbaar 
zijn. Op het inbouwen van de 
modules komen we nog terug 
in de volgende delen. 


G esc Katte bouwkosten 
circa / 150. (»nkl. trafo) 







elektuur 
september 1986 


70 


wat er komt kijken voordat we iets kunnen zien 


SATELLIET-TV- 

ONTVANGST 

J. en R. v. Terborgh 

Sinds enkele ja ren draaien er om de aarde een 
aantal TV-satei Heten die bedoeld zijn om signalen 
te leveren aan kabelnetten. Over niet ai te lange 
tijd zullen er een aantal omroepsatei tieten (DBS) 
bij komen, speciaal voor individuele ontvangst. 
Voorat dit laatste maakt satettiet-TV interessant. 
Volgende maand publiceren we in Etektuur een 
"indoor unit " het binnenhuisgedeelte voor een 
eigen TVsateHiet-ontvanger. Nu zullen we, aan de 
hand van een model, laten zien aan welke eisen 
een dergeiijke ontvanger moet voldoen om een 
goed plaatje op onze TV te kunnen leveren. 


Bij satelliet-TV hebben we 
te maken met TV-zenders 
die niet op de aarde 
staan, maar in een baan 
om de aarde draaien. De 
besturing van de zender 
gebeurt op aarde. Ook 
het signaal dat door de 
satelliet uitgezonden 
wordt, is afkomstig van de 
aarde. Vanaf een grond- 
station worden met een 
straalverbinding op 17 GHz 
stuur- en TV-signalen naar 
de satelliet gezonden. 

Men noemt dit de uplink. 
Een ontvanger in de satel- 
liet zorgt er voor dat dit 
uplink-signaal ontvangen 
wordt en dat het TV-sig- 
naal naar de zender 
gaat, die het dan weer, 
op een andere frekwentie, 
uitzendt richting aarde. 
Deze zend-ontvanger 
noemt men een transpon- 
der. Het signaal van de 


satelliet richting aarde 
wordt het downlink-signaal 
genoemd. De elektronica 
in de satelliet wordt 
gevoed uit zonnecellen. 
Hierdoor kan het totale 
energieverbruik van de 
satelliet niet al te groot 
zijn. Zenders met grote ver- 
mogens kunnen dan ook 
niet worden toegepast. 

Om er voor te zorgen dat 
we op aarde met een vast 
opgestelde antenne de 
zender kunnen ontvangen, 
moet de satelliet in een 
geostationaire baan om 
de aarde draaien, waar- 
door de satelliet recht 
boven een bepaald punt 
op de evenaar blijft 
hangen. 

Tussen TV-satel lieten en TV- 
zenders zoals die van 
Nederland 1 en 2, be- 
staan een aantal opmer- 
kelijke verschillen. 


1. Een TV-satelliet is in een 
veel groter gebied te 

ontvangen. 

2. De TV-zender van de 
satelliet werkt op een 

frekwentie van ongeveer 
12 GHz. Alle normale TV- 
zenders bevinden zich in 
het gebied tussen 50. . 

. .850 MHz. 

3. Bij het moduleren van 
het beeldsignaal wordt 

bij satelliet-TV gebruik 
gemaakt van FM in plaats 
van AM, waardoor de 
bandbreedte van het TV- 
signaal veel groter is 
(ongeveer 27 tot 36 MHz 
i.p.v. 7 MHz). 

4. De hoeveelheid pro- 
gramma’s die tegelijker- 
tijd door een satelliet uit- 
gezonden worden, is vaak 
vele malen groter. Tevens 
kan men bij een TV-beeld 
meerdere geluidssignalen 
voegen. Hierdoor is men 


in staat om tegelijkertijd 
het beeld te voorzien van 
kommentaar in verschil- 
lende talen. Elk taalge- 
bied dekodeert dan het 
gewenste geluidssignaal. 
In dit artikel zullen we 
(nog) niet ingaan op de 
praktische uitvoering. We 
zullen ons beperken tot de 
signalen die te verwach- 
ten zijn, wanneer we ge- 
bruik maken van een ont- 
vanger en een antenne- 
opstelling met de eigen- 
schappen zoals in tabel 1 
is aangegeven. Met be- 
hulp van berekeningen 
zijn we namelijk in staat 
om een goede schatting 
van de te verwachten 
beeld- en geluidskwaliteit 
te maken. 

De berekeningen zullen 
betrekking hebben op de 
Eutelsat 1 (ECS-1). Dit is een 
satelliet die een groot 



71 


elektuur 
september 1986 


la 


1b 


;/ : ; • - ; ; ; - .*.* ; - . ; ; .* .* ; 
*V.«7 

i * 



— ■ — - 8608Ma 

A = uplink-station voor TV* en datakommunikatie 

B,C = geostationaire satelliet 

D,E = ontvangststation (voor kabel*TV) 

F = data-ontvangststation 

I = uplink (14/17 GHz; 70...95 dBW EIRP) 

II = downtink (1 1 GHz; 40...48 dBW EIRP) 

III = inter-satellietverbinding 

IV = data downlink 

niet op schaal 


Figuur 1. Twee geosta- 
tionaire satellieten (la) die 
het zelfde gebied bestrij- 
ken als een groot netwerk 
van gewone zenders. De 
figuren lb en lc laten zien 
hoe de antenne op de 
satelliet gericht moet 
worden. 


aantal, voor ons interes- 
sante, programma's uit- 
zendt. Wat we kunnen ver- 
wachten op deze satelliet 
is te vinden in tabel 2b. 

De satelliet is bedoeld om 
signalen te leveren aan 
kabel-systemen, waarbij 
het signaal ontvangen 
wordt door een parabool- 
antenne met een diame- 
ter die groter is dan 3,5 m. 
De hierbij toegepaste 
elektronische apparatuur 
is van professionele kwa- 
liteit. 

De recente ontwikkeling 
met betrekking tot de 
gallium-arsenide-techno- 
logie (GaAs) heeft er voor 
gezorgd dat het ontvan- 
gen van ECS-1 al mogelijk 
is met een relatief kleine 
schotel-antenne (diameter 
1,5 m). Doordat de daar- 
voor benodigde lage-ruis- 
konverters nu voor een 
redelijk bedrag aangebo- 
den worden, is het voor 
iedereen mogelijk om een 
satellietontvanger aan te 
schaffen. Deze konverters, 
ook wel genaamd LNB’s 
(low npise block down 
converter), maken gebruik 
van GaAs-FET’s als verster- 
kers met ultra-lage ruis. \ 
Lang niet alle termen in 
tabel 1 zullen voor u 
bekend zijn, maar in het 




r »+/*= 90 < 


86081-lb 



verloop van dit artikel zul- 
len deze termen verduide- 
lijkt worden. Ten eerste is 
het belangrijk te weten 
waar we de satelliet, dat 
kleine puntje, in de ruimte 
kunnen vinden. 


Het vinden van 
de satelliet 

Het zojuist geïntroduceer- 
de hypothetische ontvan- 
gersysteem kan één van 
de twee stations D of E uit 
figuur la zijn. Voor alle 
duidelijkheid: het gaat 
hier over een ontvanger 
met de eigenschappen 
zoals weergegeven in 
tabel 1, die bedoeld is 
voor privé-gebruik en dus 
niet als een ontvanger 
behorende bij een kabel- 
net. 

Bij satellieten die in een 
vaste baan rond de aarde 
draaien, wordt de hoogte 
van de satelliet bepaald 
door de snelheid. Er is 
een evenwicht tussen 
hoogte en snelheid. Hier- 
door bestaat er een rela- 
tie tussen de tijd tr waarin 
de satelliet één omwente- 
ling rond de aarde maakt 
en de hoogte ten opzichte 
van de aarde. 


tr = 1,40818333((a / r) + 1) 3/2 
[uur] 

In deze formule is: 
a = de hoogte van de 
satelliet ten opzichte van 
de evenaar; 

r = de doorsnede van de 
aarde (6371 km). 

Satellieten in een geosta- 
tionaire baan hebben een 
dusdanige snelheid, dat 
tr = 24 uur. Met behulp 
van bovenstaande formule 
kunnen we dus de hoogte 
van de geostationaire 
baan uitrekenen. 

24 = 1,4081333 

((a / 6371) + 1) 3/2 
((a / 6371) + I) 3 ' 2 = 
17,043236 
(a / 6371) + 1 = 
17.043236 23 
a / 6371 = 6,6227 - 1 
a = 35822 km 
Deze afstand a is dus de 
afstand tot de evenaar. 
Omdat de satelliet recht 
boven de evenaar hangt, 
is de afstand tussen de 
satelliet en bijvoorbeeld 
Amsterdam groter dan de 
berekende waarde. 

Door de grote toename 
van kommunikatiesatellie- 
ten begint de geosta- 
tionaire baan al aardig 
vol te raken. Tijdens de 
WARC 77 (World Adminis- 







elektuur 
september 1986 


72 



trative Radio Conference) 
is vastgesteld, dat de 
minimale afstand tussen 
twee satellieten ongeveer 
0,2° moet zijn. Dit komt 
overeen met een afstand 
van ongeveer 150 km. 
Tevens is er een zoge- 
naamde parkeerboon 
vastgesteld voor reserve- 
en defekte satellieten. 

Deze baan ligt 100 km ver- 
der de ruimte in. 

Hoewel de gravitatie- en 
centrifugaalkrachten in 
evenwicht zijn, waardoor 
we zouden verwachten 
dat de satelliet op zijn 
plaats zou blijven, blijken 
er toch regelmatig koers- 
korrekties nodig te zijn. Het 
uit de baan geraken 
wordt oa. veroorzaakt 
door mogelijke botsingen 
met meteorieten en va- 
riaties in het aardmagneti- 
sche veld. 

Het kontrolecentrum op 
aarde zorgt er kontinu 
voor dat de satelliet niet 
te ver van zijn vaste plaats 
komt. Ontvangst op aarde 
is nu met een vast opge- 
stelde antenne mogelijk. 

Bij het richten krijgt de 
antenne een bepaalde 
elevatiehoek (zie figuur 
1b). Deze hoek is afhanke- 
lijk van de geografische 
breedtegraad waarop de 
antenne binnen het werk- 
gebied van de satelliet 
staat. Hoe verder we naar 
het noorden gaan, hoe 
kleiner de elevatiehoek 
wordt. Voor ECS-1 is in 
Oslo (58° N) de elevatie- 
hoek ongeveer 26° en in 
Parijs (49° N) ongeveer 33°. 
Tevens is de elevatiehoe k 
afhankelijk van de plaats 
van de satelliet in de 
geostationaire baan. Voor 
Intelsat V F-1, die boven 
de Indische Oceaan 
hangt, is in Nederland de 
elevatiehoek ongeveer 10° 
(zie figuur 1c). 

Willen we met een anten- 
ne meerdere satellieten 
ontvangen, dan moeten 
we er voor zorgen dat niet 
alleen de richting (azimut) 
van de antenne veran- 
dert, maar ook de eleva- 
tiehoek. Bij 

afstandbediening hebben 
we dus twee motoren 
nodig. Een motor voor het 
draaien van de antenne 
en één voor de elevatie. 

Er bestaat ook een 


systeem waarbij met één 
motor de azimut en de 
elevatie veranderd kan 
worden. Dit staat bekend 
als het polar-mount-sys- 
teem (zie figuur 2). 

De in figuur la gebruikte 
term EIRP (Effective Isotro- 
pic Radiated Power) is 
gebruikt om het ekwiva- 
lente zendervermogen op 
te geven. EIRP is het pro- 
dukt van de antennever- 
sterking (Ga) en het 
vermogen van de zender 
(Po) of de som van deze 
termen in dB’s. Bij de bere- 
kening kan uitgegaan 
worden van het vermogen 


in watts of in milli-watts. 

We krijgen dan respektie- 
velijk dBW of dBm. 

EIRP = 

10 log (Po x Ga) [dBW] 

Een voorbeeld: 

Po = 20 W; Ga =100. 

EIRP = 

10 log (2000)= +33 dBW of 
EIRP = 

+13 dBW + 20 dB = 

+33 dBW - +63 dBm 
Het werken met dB’s is een 
gebruikelijke methode 
voor het uitdrukken van 
relatief grote en kleine 
vermogens. Bij een 


Tabel 1. 

Satelliet-TV-ontvangstsysteem 

Satelliet: Eutelsat (ECS-1) 

+ 13° oost 
f » 11 GHz 
EIRP = +45 dBW 
Antenne: Primairfokus 

1,5 m diameter 
LNB-parameters F = 3 dB 

ingangsverlies 1 dB (polarizer) 
conversie versterking > 50 dB 
Ontvanger bandbreedte 36 MHz 

IFi 950 . .1750 MHz 
Gc > 80 dB 
FM 

Omgevingstemperatuur 290 K ( + 17° C) 

Kabeldemping < 4 dB 

Vrij zicht naar satelliet wordt verondersteld 


Figuur 2. Achteraanzicht 
van een schotel die d.m.v 
het polar-mount-systeem op 
verschillende satellieten 
gericht kan worden . 

Figuur 3. Het satelliet - 
uplink-station in Lessive, 
België. 

Figuur 4. Parabolen die 
gebruikt kunnen worden 
voor de ontvangst van 
satelliet-TV De offset- 
parabool (figuur 4c links) is 
een van de beste alterna- 
tieven voor het ontvangen 
van de toekomstige DBS - 
satellieten. 


downlink-vermogen van 
+45 dBW bijvoorbeeld (zie 
figuur la) is het ekwivalen- 
te vermogen 10 4 - 5 = 31,6 
kW. Dit betekent bij een 
uplink vermogen van 92 
dBW dat het grondstation 
een ekwivalent vermogen 
levert van 1,6 GW. 

Hierbij moet wel bedacht 
worden dat het ekwivalen- 
te vermogen ontstaat uit 
het produkt van zenderver- 
mogen en antenneverster- 
king. Dit houdt in dat het 
ekwivalente vermogen 
van de satelliet opgewekt 
kan worden door een 20- 
watt-zender en een anten- 
ne met een versterking 
van 32 dB. Het enorme 
ekwivalente uplink-vermo- 
gen wordt verkregen door 
een 500-watt-zender en 
een paraboolantenne met 
een doorsnede van 18 m 
en een versterking van 
62 dB. Figuur 3 laat een 
dergelijk grondstation 
zien. 

Systeem- 

opbouw 

Een parabool is waar- 





elektuur 
september 1986 




schijnlijk het enige type 
antenne dat nog voldoen- 
de versterking geeft bij fre- 
kwenties boven 2,5 GHz. 
Figuuur 4 laat een aantal 
verschillende schotelan- 
tennes zien. De meest 
bekende is de primair- 
fokus-paraboolantenne 
(figuur 4a). In de figuur zijn 
een aantal formules gege- 
ven die gebruikt moeten 
worden bij het maken van 
deze antenne. De Casse- 
grain-antenne (figuur 4b) 
is de meest geavanceer- 
de antenne. Een verdere 
ontwikkeling van de pri- 
mair-fokus-schotel is het 
Cassegrain-systeem (zie 
figuur 4b), waarbij de LNB 
aan de achterzijde ge- 
monteerd wordt. De offset- 
antenne, de linker anten- 
ne in figuur 4c, zal waar- 
schijnlijk de meest popu- 
laire antenne worden, 
omdat deze veel minder 
last heeft van hoogfre- 
kwente schaduw veroor- 
zaakt door de LNB en de 
voor de ophanging beno- 
digde konstruktie. Vooral 
bij kleine schoteldiameters 
gaat deze schaduw een 
grote rol spelen. De offset- 
antenne heeft verder als 
voordeel dat het schotel- 
oppervlak minder hol is. 
Hierdoor verzamelt zich 
in de parabool minder 


primainokus-antenne 


Cassegrain-antenne 


hyperbolisch 

oppervlak 


86081*4a 

« — 

86081 4b 

|y|= \Z3dx (i/D) 

G (dBd)^ 10,o 9l0 (6(0/ .l 2 )) 










elektuur 
september 1986 


74 


gauw sneeuw die de wer- 
king van de antenne sterk 
vermindert. 

Een eigenschap van para- 
boolantennes is dat bij 
vergroting van het opper- 
vlak de versterking toe- 
neemt en de openings- 
hoek afneemt. Met behulp 
van de grafiek van figuur 
5 kunnen we een schat- 
ting maken van de rele- 
vante karakteristieken van 
de te gebruiken schotel. 
De LNB (tabel 1, figuur 7) is 
een konverter die signalen 
van de 10,95. . .11, 75-GHz- 
band omzet naar een 
middenfrekwent van 950. . 

. .1750 MHz, door menging 
met een local oscillator 
van 10 GHz. 

In de voorversterker, mixer 
en local oscillator worden 
GaAs-FET’s gebruikt vanwe- 
ge de lage ruis (3 dB), de 
goede temperatuurstabili- 
teit en een grote ver- 
sterking. 

Voor het demoduleren 
van het signaal in een 
beeld- en geluidskanaal, 
kan niet gebruik gemaakt 
worden van een normaal 
TV-toestel, maar is een 
breedband-FM-TV-ontvan- 
ger noodzakelijk. 

Ontvanger- en 
systeemruis 

Uitgaande van de gege- 
vens in tabel 1, zijn we in 
staat om de balans tussen 
de systeemruis en de sig- 
naalsterkte op te maken, 
waardoor een indruk ver- 
kregen kan worden van 
de uiteindelijke beeld- 
en geluidskwaliteit. Aan 
de hand van de gege- 
vens uit tabel 1 kunnen we 
het zogenaamde down- 
link-budget opstellen. Of 
het signaal een goed 
plaatje geeft nadat het 
een afstand van ruim 
38000 km heeft afgelegd, 
is onder andere afhanke- 
lijk van de ruis die ont- 
staat in het systeem. 

Het ekwivalente ruisvermo- 
gen Pnmvan de ontvanger, 
geproduceerd in de in- 
gangstrap, kan berekend 
worden met: 

Pn(r) = K * Tr ‘ BW [W] 

De totale systeemruis Pn(sys) 


volgt uit de formule: 

Pn(sys) = 

K • (Tr + Ta) ♦ BW [W] 

In deze formules is: 
k = konstante van Boltz- 
man; 1,38x10~ 23 J/K; 

Tr = de ekwivalente 
ruistemperatuur van de 
ontvanger [K]; 

Ta = de ekwivalente 
ruistemperatuur van de 
antenne (KJ; 

BW = de ontvangerband- 
breedte [Hz]. 

Uitgaande van een ruisge- 
tal van 3 dB is in figuur 6 
af te lezen dat de L- 
waarde (van de door ons 
gebruikte LNB) ongeveer 
300 K is bij een omge- 
vingstemperatuur van 
290 K (17°C). 

De To-waarde is ingewik- 
kelder om te bepalen. De 
waarde wordt namelijk 
bepaald door de som van 
een groot aantal faktoren, 
zoals de ruistemperatuur 
van het heelal en storin- 
gen op de ontvangstfre- 
kwentie. Tevens wordt de 
Ta-faktor bepaald door de 
vormfaktor van de schotel 
(oppervlakte-onregelma- 
tigheden moeten kleiner 
zijn dan 1/10 A), de reflek- 
tiekwaliteit, de F/D-verhou- 
ding, de mate van belich- 
ting, het stralingsdiagram 
en de relatieve hoogte 
boven de grond. Wanneer 
gebruik gemaakt wordt 
van een goede schotel 
die vrij zicht heeft op de 
satelliet, dan is de Ta- 
waarde 40. . .50 K. Hoe 
beter de antenne hoe 
lager Ta. 

Uitgaande van de sys- 
teemparameters Tr = 

300 K, BW = 36 MHz en 
Ta = 45 K, kunnen we Pnw 
en Pn(sys) berekenen. 

Pn(r) = 14,904 • 10“ 14 W ^ 
-128,27 dBW = 
-98,27 dBm 

Pn(sys) = 17,1396 • 10“ 14 W ^ 
-127,66 dBW = 
-97,66 dBm 

De theoretische drem- 
pelspanning Umin die door 
de ontvanger (de LNB, niet 
het systeem) gedetekteerd 
kan worden, is te bereke- 
nen met: 

Umin = \f R * Pn(r) [V] 









75 


elektuur 
september 1986 



b 

CNJ 

E 



Intelsat V-F4 86081 -8b 


Figuur 5. De grafieken van 
een primairfokus-antenne, 
waarmee de theoretiche 
versterking t.o.v een AA- 
dipool, de openingshoek 
en het effektieve oppervlak 
als funktie van de diameter 
uitgezet zijn. 

Figuur 6. De ekwivalente 
ontvangerruistemperatuur 
als funktie van Fcib of F 

Figuur 7. De 11-CHz-LNB 
met hoornantenne voor het 
belichten van een parabool 
met een f/D-verhoudino 
van 0,5. 

Figuur 8. De PFD-kon- 
touren van ECS-1 en Intel- 
sat VF-4 


Met R = Rin = Z = 50 Q, 
krijgen we: 

Umin = ^50 • 14,904 * 10- 14 
= 2,73 M V 

We hebben nu de waar- 
den bepaald die aan de 
negatieve kant van de 
balans werken. Nu moet 
gekeken worden wat ECS-1 
aan de positieve kant 
heeft bij te dragen. 

Ontvangen van 
picowatts 

Bij twee stations die wer- 
ken op 11 GHz en n km uit 
elkaar liggen, wordt de 
trajektdemping d bij vrij 
zicht bepaald door de 
formule: 

d « 114 + 20 log n [dB] 

De waarde 114 is empi- 
risch bepaald, maar 
houdt geen rekening met 
invloeden die het signaal 
verzwakken, zoals hevige 
regenval, sneeuw, hagel, 


mist, passerende vliegtui- 
gen en andere faktoren 
die het signaal kunnen 
beïnvloeden. De verzwak- 
king door deze invloe- 
den kan oplopen tot 
0,6 dB /km. Meteorietre- 
gens en satellietpositione- 
ringsfouten kunnen voor 
een nog hogere demping 
zorgen. Uitgaande van 
een afstand van 38800 km, 
wordt de demping: 

d « 114 + 20log38800 = 
205 dB 

Uit het bovenstaande blijkt 
dat zo’n 210 dB trajektdem- 
ping een meer realistische 
waarde is voor de ECS-1, 
als we kijken naar de ge- 
bruikelijk heersende weers- 
omstandigheden in West- 
Europa. 

Voor ECS-1 met een EIRP 
van +45 dB en een trajekt- 
demping van 205 dB, zal 
er dus een signaal van 
45-205 = -160 dBW op 
aarde komen. Voor een 
antenne van 1 m 2 kunnen 
we de grootte berekenen 
van het signaal dat op 
deze antenne komt. Bij 


deze berekening gaan 
we uit van een isotrope 
antenne. 

Een isotrope antenne is 
een hypotetische referen- 
tie-antenne met een ver- 
sterking van Gi = 1 — 

0 dB. De antenne heeft 
een effektief oppervlak 
van: 

Siso = A 2 /4n [m 2 ] 

Voor een frekwentie van 
11 GHz (A « 0.025 m = 

2,5 cm) wordt dit: 

Siso = 4,97 • 10“ 5 m 2 

Als dit oppervlak een ver- 
sterking levert van 0 dB, 
dan zal een echte anten- 
ne met een oppervlak van 

1 m 2 een versterking geven 
van: 

G. = 10 log (1/Siso) [dBi] 

G. = 10 log 20107 = 

+ 43 dBi 

Bedenk hierbij dat er een 
verschil is tussen Gi en 
GdBd. Bij de eerste wordt 
de versterking gerelateerd I 




elektuur 
september 1986 


76 


aan de isotrope antenne 
en bij de tweede aan een 
dipool. 

GdBd 50 Gi + 2,15 

Op dit effektieve opper- 
vlak van 1 m 2 wordt een 
signaal ontvangen van: 

PFD = EIRP + Gi - d 

[dB (W/m 2 )] 

PFD betekent power flux 
density. Dit is een maat 
voor de relatieve sig- 
naalstrekte. 

In ons voorbeeld wordt de 
PFD dus: 

PFD = +45 + 43 - 205 = 
-117 dB (W/m 2 ) 

Helaas is de hier gegeven 
waarde van de PFD niet 
overal geldig. Er moet 
namelijk rekening gehou- 
den worden met het feit 
dat de satelliet slechts in 
een beperkt gebied te 
ontvangen is. Het zal 
waarschijnlijk wel duidelijk 
zijn dat aan de rand van 
dit gebied de sig- 
naalsterkte kleiner is dan 
in het centrum. In figuur 8 
is te zien in welk gebied 
de satellieten ECS-1 en 
Intelsat V F4 te ontvangen 
zijn. In deze figuren zijn 
tevens de verschillende 
PFD waarden aangege- 
ven. Per ring neemt de 
PFD-waarde met 1 dB af. 


Om er voor te zorgen dat 
de ontvangst aan de rand 
van het aangegeven 
gebied de zelfde kwaliteit 
heeft als in het centrum, 
moeten we er voor zorgen 
dat de antenne 7 dB meer 
versterkt bij een zelfde ont- 
vanger opzet. Kijken we 
nog eens naar figuur 5, 
dan zien we wat deze ver- 
groting van de versterking 
betekent voor de schotel- 
diameter. Hierdoor valt 
tevens te verklaren waar- 
om kabel-exploitanten 
schotels gebruiken met 
een doorsnede van meer 
dan 3,5 m om de verschil- 
len in signaalsterkte bij 
verschillende weersom- 
standigheden op te kun- 
nen vangen. 

DownHnk- 

budget 

Uit het voorgaande komen 
twee belangrijke getallen 
naar voren, te weten de 
PFD en Pnsys. Met deze 
twee getallen kunnen we 
de signaal/ruis-verhouding 
(C/N, carrier to noise ratio) 
als volgt berekenen: 

C/N = PFD - Pn(sys) [dB] 

Invulling van de al beken- 
de waarden geeft een 
C/N-verhouding van: 


C/N = -117 - (-127,66) = 
10,66 dB 

We zien dat dit in het 
geheel geen slechte 
waarde is, in aanmerking 
genomen dat bij professio- 
nele ontvangers van een 
waarde van +15 dB wordt 
uitgegaan. In de praktijk 
blijkt echter dat +10 dB 
voldoende is voor een 
goede ontvangst. 


Kwaliteitsgetal 

Uitgaande van Umm en 
C/N kunnen we alleen iets 
zeggen over het ingangs- 
signaal. Deze waarden 
geven nog geen volledig 
uitsluitsel over wat er op 
het beeldscherm gebeurt, 
scherm gebeurt. 
Fabrikanten van TV- 
satellietontvangers gebrui- 
ken het kwaliteitsgetal of 
gain-temperatuurverhou- 
ding (G/T) om de relatieve 
kwaliteit van hun produkt 
aan te geven. 

G/T = 10 log 

G • a 

a • Ta ■ (1 - a) 290 + Tr 

[dB/K] 

G = antenneversterking 
(niet in dB); 

a = de som ven de verlie- 
zen tussen voorversterkerin- 


gang (LNB) en het punt 
van maximale PFD in het 
antennesysteem (niet in 
dB). 

Voor ons hypothetische 
systeem met de eigen- 
schappen volgens tabel 1, 
geldt: 

G/T = 10 log 

20000 - 0,8 

0,8 • 45 + (1 - 0,8) 290 + 300 

G/T = 10 log (16000/394) = 
16,1 dB/K 

De waarde van 16,1 dB/K is 
in vergelijking met fabrieks- 
systemen geen slechte 
waarde, vooral gezien de 
grootte van de parabool. Er 
is van uitgegaan, dat de 
totale konversieversterking 
hoog genoeg is, wat bij een 
G van 80 dB zeker het geval 
is, en dat het ruisgetal van 
de rest van de ontvanger 
niet meer is dan drie keer 
het ruisgetal van de LNB 
(zie literatuur 1 en 2). 

In de formule van G/T is 
goed te zien wat de gevol- 
gen zijn van een stijging 
van de verliezen a op de 
totale prestatie van het 
systeem. De verliezen tussen 
het punt van maximale PFD 
en de ingang van de LNB 
kunnen o.a ontstaan door- 
dat de LNB niet goed in het 
brandpunt staat of door 
een belichting die niet opti- 
maal is. Verzwakking kan 


Figuur 9. fbsitie-toewij- 
zing van een aantal om- 
roepsatellieten volgens de 
WARC 77. In deze figuur 
zijn de satellieten die nu al 
rond de aarde draaien niet 
weergegeven . 










elektuur 
september 1986 


Tabel 2a. 

Intelsat V F-4 

baan-positie: 27,5° W 
EIRP: +44 dBW 
kanaal-bandbreedte: 70 MHz 


transponder 
No., beam, 
polarisatie 

programma 

landlen) 

frekwentie 

GHz 

scrambling- 

systeem 

1 W - 

— 




2 W H 

Premiere/ 

Engeland 


geen 

3 W H 

The Chil- 
drens' 
Channel 
Screen- 

Engeland 

11.135 

geen 

4 W H 

Sport/Arts 

Channel/ 

Lifestyle 

Mirror 

Vision 

Engeland 

11.175 

geen 

5 W - 

— 

— 

11.515 

— 

6 W - 

— 

— 

11.565 

— 

1 0 - 

— 

— 

10.995 

— 

20 V 

CNN 

USA 

11.155 

geen 

30 - 

— 


11.475 

— 


totale 


MHz 





pre- 

emphasis 

dispersie 

MHzpp.(fd) 

CCIR 405 

2 (25 Hz) 

CCIR405 

2 (25 Hz) 

CCIR 405 

2 (25 Hz) 

CCIR 405 

2 (25 Hz) 

— 

— 


beeld- 



PAL 


Tabel 2b. 

Eutelsat 1 F 1 (ECS 1) 

baan-positie: 13° O 
EIRP: +45.0 dBW. 
kanaal-bandbreedte 


transponder totale 

No., beam, programma land(en) frekwentie scrambling- bandbreedte 


polarisatie 


1 W H 


RAM 


Italië 


IGHzJ 


11.005 


system 


geen 



3 W H 


4 W H 


5 


6 W H 


7 W V 


8 V 


9 W V 


3-SAT Duitsland 11.055 
Oostenrijk 
Zwitserland 


Europa TV N ederla nd 1 1 . 1 70 

(EBU) 


TV-5 of Frankrijk 1 1 .470 

Worldnet USA 


IMHzl 


36 


36 


pre- 

emphasis 


dispersie 

IMHzppl, 

(fd) 


beeld- 

systeem 


PAL 


PAL 


PAL 

(D2-MAC) 


SECAM 

PAL 



10 W V 


11 


12 W V 


Sky Engeland 11.650 
Channel 


Teleclub Zwitserland 10.985 


RTL plus Luxemburg 11.085 


ATN - Nederland Et 11.138 
Filmnet België 


SAT-1 Duitsland 11.507 



Music Box Engeland 11.674 



geen 
of experi 
menteel 


PAL 


PAL 


PAL 


ook ontstaan door filters, 
polarisators en stukken golf- 
pijp aan de ingang van de 
LNB. 

De signaalruisverhouding, 
de uiteindelijke maat voor 
de beeldkwaliteit, wordt als 
volgt berekend: 

S/N = PFD + G/T -F X 

In deze formule heeft X een 
waarde van 147,3 dB beho- 
rende bij een bandbreedte 
van 36 MHz (zie literatuur 7). 
De S/N-verhouding wordt 
nu: 

S/N = (-117) + 16,1 + 147,3 
S/N = 46,4 dB 

Deze waarde is voldoende 
om een goed beeld te 
geven (zie figuur 14). 


Omroep- 

sateHieten 

Het is al eens gezegd dat 
de hieraan voorafgaande 
berekeningen gebaseerd 
zijn op het ontvangen van 
satellieten die bedoeld 
zijn om signalen te leve- 
ren aan kabel-systemen. 
Daarnaast is men al vanaf 
1972 bezig om satellieten 
in omloop te krijgen die 
bedoeld zijn om signalen 
rechtstreeks aan de TV- 
kijker te leveren. Tijdens 
de WARC van 1977 zijn er 
al voor deze direct-broad- 
cast-satellietes plaat- 
sen gereserveerd in de 
geostationaire baan. Toch 
heeft het nog jaren ge- 
duurd voordat aan de 
praktische realisatie 
begonnen kon worden. Dit 
is mede veroorzaakt door 
diverse diskussies die er 
gevoerd zijn over o.a. het 
down-link-vermogen en 
allerlei exotische modula- 
tievormen. 

Op dit moment is men 
bezig om lanceringen te 
plannen, maar het kan 
nog wel even duren voor- 
dat de eerste omroep- 
satellieten in omloop zijn. 
Daarna duurt het nog ze- 
ker een half jaar, voordat 
de satellieten operatio- 
neel zijn. Door de grond- 
stations moeten er name- 
lijk na de lancering een 
groot aantal testprogram- 
ma's afgewerkt worden 






























































































elektuur 
september 1986 

voordat de satellieten in 
bedrijf komen. 

De satellieten dienen vol- 
gens de aanbevelingen 
van de WARC 1977 in het 
centrum van het werkge- 
bied een PFD te hebben 
van minimaal —107 dB. Dit 
is een goede waarde, 
zeker gezien de snelle ont- 
wikkeling van de SHF-tech- 
nologie. De ontvangers 
moeten minimaal een 
C/N-verhouding hebben 
van 14 dB en een kwali- 
teitsgetal van 10 dB/K (zie 
literatuur 6). 

Een aantal van de afspra- 
ken van de WARC van 
1977 zijn weergegeven in 
figuur 9 en 10. Frankrijk 
(TDF-1) en West Duitsland 


10 


(TV-sat) zijn op dit moment 
al in een vergevorderd 
stadium voor de lancering 
van nationale omroep- 
satellieten. Tevens wordt er 
door de EBU (European 
Broadcasting Union) ge- 
werkt aan Olympus, een 
satelliet die een groot 
deel van Europa moet 
gaan bestrijken. Ook de 
Skandinavische satelliet 
Tele-X is in een vergevor- 
derd stadium, terwijl in Ita- 
lië, Ierland, Luxemburg en 
Zwitserland de plannen al 
op de tekentafel liggen. 
Voor het ontvangen van 
deze satellieten is een 
schotelantenne van 60. . 

. .90 cm en een goedko- 
pere LNB voldoende, 


omdat de EIRP van deze 
satellieten veel groter is. 
Met een EIRP van 60. . 

. .65 dBW (1 tot 7 MW) is 
men in staat om een 
goed signaal af te leve- 
ren. Voor het maken van 
deze EIRP is een zen- 
der nodig van ongeveer 
275 W. 

Dat voor het ontvangen 
van toekomstige omroep- 
satellieten het beschreven 
ontvangersysteem van 
tabel 1 ruim voldoende 
zal zijn, is waarschijnlijk 
wel duidelijk. Halvering 
van de parabool-diameter 
is zelfs mogelijk. Door digi- 
talisering van de beeld- 
en geluidssignalen kan de 
signaalruisverhouding nog 


2 dB verbeterd worden. 

De omroepsatellieten wor- 
den zo ontworpen dat er 
gewerkt kan worden met 
meerdere geluidsdraag- 
golven (zie figuur 12), high- 
quality stereo-program- 
ma’s (met gekomprimeer- 
de bandbreedte zoals het 
Panda-Wegener-systeem), 
teletekst, openbare data- 
service en nog vele ande- 
re snufjes. Het is dus geen 
wonder dat er veel van 
de omroepsatellieten ver- 
wacht wordt. We zullen u 
hiervan in de toekomst 
zeker op de hoogte hou- 
den. 




12 



A B C D E F 


H I 


VIDEO 


rtE -1 — 1 — ' — 1 — r 

0 3 4 5 


6 7 8 

frekwentie [HHz] 


A,B,C= 15-kHz-audiodraaggolf 
d = 15-kHz-datadraaggolf 
E,F = 50-kHz-sterokanaal 
G = normale audiodraaggolf (150 kHz) 
H = gemultiplexte datadraaggolf 
I = 50-kHz-audiodraaggolf 


86081*12 






































































































































elektuur 
september 1986 


Figuur 10. Kanaahndeling 
van de omroepsatellieten 
en de bijbehorende anten- 
nepolarisatie. Door toepas- 
sing van verschillende 
polarisatienchtingen is het 
mogelijk om twee transpon- 
ders op de zelfde frekwen- 
tie te laten werken. 


13 


G ' 


Figuur 11. Het geplande 
werkgebied van de EBU- 
satelhet Olympus L-sat. In 
het gebied met een PFD 
van —103 dBW/m 2 is ont- 
vangst met privé installa- 
ties mogelijk. Bij een PFD 
van minder dan — 115 dBW/ 
m 2 is ontvangst mogelijk 
met grote ontvangstsyste- 
men, bijvoorbeeld voor 
kabel-TV 

Figuur 12. Voorbeeld van 
het baseband-frekwentie- 
spektrum van een omroep- 
satelliet aan de uitgang van 
de FM-demodulator (onge- 
filterd). 

Figuur 13. Dit is wat we in 
de nabije toekomst nodig 
kunnen hebben voor het 
ontvangen van omroepsa- 
telheten. 


TV | 


A = low noise block down converter (LNB) 12 C 
B = parabootantenne met positioneersysteem 
C = verbindingskabel 
D = indoor unit 

E = eventuele signaal-combiner en ol -decoder 
F = VCR 

G = bestaande ontvangstantenne 
H = stereoversterker 


12GHz\ 
em J 


outdoor unit 


86081-13 


Figuur 14. Het systeem dat 
we aan U voorgesteld heb- 
ben, is geen hypothetisch 
systeem. Deze testbeeld- 
foto's van twee ECS-1- 
transponders zijn het 
bewijs. 



Literatuur 

[1] R. Lertz DL3WR: Rau - 
schen in Empfanger UKW- 
Berichte 3-1975 
f2] Universele antenne- 
versterker Eiektuur februari 
1980 

[3] R. J Kernot: The use of 
the European communi- 
cation satei/ites for tete- 
vision transmission. zie [4] 

[4] J M. C Scott and 

M. Heusten: Experience of 
accessing Euteisat tran- 
sponders from transport- 
able earth-stations. 
CoHoqium of the Elec- 
tronics di Vision of the IEEE, 
digest No 1986/32 

[5] D. S. Evans en 

G R. Jessop: VHF-UHF 
manuai, derde editie. The 
Radio Society of Great 
Britain (RSGBJ 

[6] EBU review (technicai). 
diverse artikelen in de 
nummers 200, 202 en 215 

[7] Kat h rein Haus & Anten- 
ne 1985 

[8] H. £ M. T Bruin en 

H. A. Westra: 11-GHz-kon- 
verter voor sateiiiet-TV, 
Electron, aug. 85 
f9] P. Smit: Satelliet TV. 
CQ-PA 28 1985 









van een positieve film van 
het koperpatroon. Nadat 
de koperzijde van het 
printmateriaal met Positiv 
100 van een positieve foto- 
lak is voorzien, wordt het 
koperpatroon via UV-licht 
op de fotolaklaag overge- 
dragen. Met Develop 110 
verwijdert men daarna de 
belichte delen van de 
fotolak. Er blijft nu een 
beschermd koperpatroon 
op de printplaat achter. Er 
kan nu geëtst worden. 
Develop 111 is een mildere 
ontwikkelaar en doet zijn 
werk wat langzamer. Na 
het etsen wordt met Strip 
120 de achtergebleven 
fotolak verwijderd. Het 
milieuvriendelijke Deox 
130 lost koperoxide onmid- 
dellijk op en is ideaal om 


het koperpatroon te reini- 
gen voordat soldeerlak 
aangebracht wordt of 
voordat de print verzilverd 
of vertind wordt. Flux 140 
beschermt het koperpa- 
troon tegen korrosie en 
bezit bovendien prima sol- 
deereigenschappen. 

Meer informatie: Vogei’s 
import BV.. Hondsrug/aan 
93 C, 5628 DB Eindhoven, 
te/.: 040-415547. (3505 M) 

micro-torch 

GB-2001 

Printlas Europa heeft een 


zeer handig soldeerbran- 
dertje, de micro-torch GB 
2001, op de markt ge- 
bracht. Dit licht en trans- 
portabel brandertje, dat 
gemakkelijk navulbaar is 
met gewoon aanstekergas 
(butaan), kan een vlam- 
temperatuur van 1300°C 
bereiken. De gas- en 
luchttoevoer zijn regel- 
baar, en de ontsteking ge- 
beurt automatisch via een 
piëzokristal. De vlam- 
lengte van het brandertje 
bedraagt ongeveer 10 cm. 
Er zijn nogal wat toepas- 
singen mogelijk, zoals: 

— Het verwijderen van iso- 
latie bij gelakte draden. 

— Het lassen en testen van 
thermokoppels (typen E, 

J, K, T), ook op moeilijk be- 
reikbare plaatsen zoals 
bijv. verwarmingsketels; 

— Solderen van zwaardere 
kabels door direkte ver- 
warming; 

— Krimpen van krimpkous; 
In de praktijk is gebleken 
dat de brander uit een 
gewone butaan-spuitbus 
van ca. f 3,50 zo’n vier 
maal kan worden gevuld. 

Een vulling is voldoende 
voor 1. . .2 uur gebruik. De 
prijs van dit handige ap- 
paraat ligt rond de 
/ 139,- 

Prinf/as Europa BV., Toren- 
akker 8, 5731 CC Mier/o, 
te/. 04927-61868 (3506M) 


Printen zelf 
maken 

Vogel’s Import heeft een 
aantal produkten aan 
haar leveringsprogramma 
toegevoegd die vooral 
interessant zijn voor de 
elektronica-hobbyist die 
zelf wel eens een print(je) 
maakt en voor de pro- 
fessionele gebruiker die 
snel een proefprint nodig 
heeft. De SENO-100-serie 
bestaat uit zes handige 
kunststof flakons met dis- 
penser; dus geen open 
baden, geen gemors met 
flessen en geen geknoei 
met spuitbussen! De vloei- 
stoffen zijn alle volkomen 
milieuvriendelijk en prikke- 
len de ademhalingswe- 
gen en ogen niet. De 
serie bestaat uit: 

— Positiv 100: een sneldro- 
gende fotolak; 

— Develop 110: een NaOH- 
vrije harde ontwikkelaar 
voor fotolak; 

— Develop 111: een NaOH- 
vrije zachte ontwikke- 
laar voor fotolak; 

— Strip 120: een oplosmid- 
del voor alle soorten 
fotolak; 

— Deox 130: een milieu- 
vriendelijke printplaat- 
reiniger; 

— Flux 140: een reukvrije 
soldeer- en bescherm- 
lak. 

De prijs voor een flacon 
Positiv 100 bedraagt 
f 14,95 (inkl. BTW) en voor 
de overige produkten 
moet per stuk f 9,95 (inkl. 
BTW) neergeteld 
worden. 

Bij het 
maken 
van een 
print met 
de SENO- 
produkten 
wordt uitgegaan 

:: ■ !■»' ■